Nota VTH beleid Zeeland 2021 (Gemeente Borsele)

Verordeningen en reglementen gepubliceerd door de Gemeente Borsele op 16 november 2021

informatie alleen over gemeente borsele

Inhoud Verordeningen en reglementen:

Bron: GEMEENTEBLAD | Officiële uitgave van de gemeente Borsele


Nota VTH beleid Zeeland 2021

Vanwege de kwaliteitseisen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de komende Omgevingswet stelden Zeeuwse overheden een gezamenlijk Vergunningverlening-, Toezicht-, en Handhaving (VTH) Beleid op voor het onderdeel strategie. Net als alle andere Zeeuwse overheden vinden wij een mooi, schoon, veilig, gezond en duurzaam Zeeland belangrijk. Deze strategie draagt daar aan bij.

In het VTH-beleid Zeeland 2021, onderdeel strategie, benoemen we de uitgangspunten voor preventie, vergunningverlening, gedogen, toezicht en handhaving in Zeeland, en dus ook voor onze gemeente. Het is onderdeel van het uitvoerings- en handhavingsbeleid zoals bedoeld in artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht. De reikwijdte van de strategie omvat taken van provincie en gemeenten op het gebied van de omgeving: milieu, water, natuur, ruimtelijke ordening en bouwen.

Het ontwerpbeleid heeft van 2 december 2020 tot en met 13 januari 2021 ter inzage gelegen. In deze periode zijn er zienswijzen ingediend door Stichting Gezond Water en Stichting Zeeuws Platform Stralingsrisico.

De zienswijzen geven ons geen aanleiding om de nota VTH beleid Zeeland 2021 aan te passen. Ons college heeft op 15 juni 2021 de onderdelen A en B en C definitief vastgesteld. Onderdeel C ‘de richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen’, is ook opgenomen in het Handhavingsuitvoeringsprogramma 2021. Onderdeel D ‘bijlagen’, is voor kennisgeving aangenomen.

De Nota Handhaven met Beleid van 27 maart 2007 is ‘ingehaald’ door de Nota VTH beleid Zeeland 2021 en is ingetrokken op 15 juni 2021.

De definitieve nota en bijbehorende stukken staan ook op onze website https://www.borsele.nl/beleidsnotas-en-notities. Voor vragen of informatie kunt u terecht bij mevrouw T. van der Ven, [email protected].

Voorwoord

Met genoegen bieden wij u de Zeeuwse strategie voor Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving aan. In deze nieuwe VTH strategie benoemen we de uitgangspunten voor preventie, vergunningverlening, gedogen, toezicht en handhaving in Zeeland. De reikwijdte van deze strategie omvat alle taken van de Zeeuwse overheden op het gebied van de Omgeving: milieu, water, natuur, ruimtelijke ordening en bouwen.

Deze strategie draagt bij aan een mooi, schoon, veilig, gezond en duurzaam Zeeland.

We hebben gekozen voor een unieke werkwijze. Deze strategie is tot stand gekomen door gezamenlijke inspanning van alle Zeeuwse overheden, omgevingsdiensten, Veiligheidsregio Zeeland, GGD, politie en Openbaar Ministerie. De Zeeuwse bevoegde gezagen hebben samen besloten om een eenduidige VTH strategie voor heel Zeeland op te stellen. In andere provincies is een VTH strategie door omgevingsdiensten opgesteld (met name voor basistaken). Tijdens het proces is geïnvesteerd in onderling vertrouwen en is ruimte gegeven aan inzichten en inhoudelijke inbreng van alle partijen. Een belangrijk uitgangspunt in dit proces is dat een Zeeuws-breed gedragen VTH strategie een gelijk speelveld voor inwoners en bedrijven moet opleveren, zonder dat dit ten koste gaat van de mogelijkheid om lokaal maatwerk te realiseren.

We kijken terug op een boeiend en productief proces, wat in onze ogen geslaagd is en nu afgerond kan worden met het aanbieden van de Zeeuws brede VTH strategie. Het werkgebied vergunningen, toezicht en handhaving voor het omgevingsrecht blijft de komende jaren sterk in ontwikkeling. Steeds meer komt de nadruk te liggen op integraal en programmagericht werken. Terugkerende elementen zijn effectievere en efficiëntere handhaving, vermindering van de administratieve lastendruk, minder vergunning plichtige activiteiten, meer algemene regels en de introductie van cyclisch werken. Dat zorgt voor nieuwe uitdagingen voor de Zeeuwse overheden en alle regionale partners. In deze VTH strategie anticiperen we daarop door middel van nieuwe referentiekaders en strategieën.

Zeeland kiest met dit nieuwe plan voor een systematisch geheel van bestuurlijke kaderstelling, een uitvoerbare en eenduidige strategie. Zo zorgen we ervoor dat we gezamenlijk in Zeeland de goede dingen doen met goede uitvoering.

Wethouder Frank van Hulle

Gedeputeerde Dick van der Velde

Deel A: Algemene Inleiding en onze Uitgangspunten1.0

Inleiding: Vergunningen-, Toezicht- en Handhaving strategie Zeeland 2021

De VTH partners (bijlage 1 VTH Partners) in de provincie Zeeland stellen vanwege de kwaliteitseisen in de Wabo en de komende Omgevingswet gezamenlijk Vergunningverlening-, Toezicht- en Handhavingsbeleid (VTH) op. Voor u ligt het eerste resultaat: Het Zeeuwse VTH beleid onderdeel strategieën. Een strategie die bijdraagt aan een mooi, schoon, veilig, gezond en duurzaam Zeeland’.

We vinden een gezamenlijk en uniforme VTH strategie in Zeeland wenselijk en een grote meerwaarde. Ons gezamenlijk doel en proces was en is dan ook een breed gedragen VTH beleid, te beginnen met de gezamenlijke VTH strategie.

De bevoegde gezagen (de colleges van de gemeenten en provincie, hierna wij of we) voor de VTH taken zijn individueel verantwoordelijk om VTH - beleid te ontwikkelen, af te stemmen en vast te stellen. Voor de basistaken die door de RUD Zeeland worden uitgevoerd, bestaat de wettelijke verplichting voor een gezamenlijk uniform VTH beleid. Deelnemers aan de RUD zijn de Zeeuwse gemeenten, Waterschap en de Provincie Zeeland. De provincie is ook deelnemer aan de DCMR, zij voeren de Brzo taken uit.

1.1

Leeswijzer

De nota bestaat uit drie documenten, document 1 zijn de delen A en B, document 2 is deel c en document 3 is deel D.

In deel A staan de algemene doelstelling en uitgangspunten van de strategie.

In deel B staan de VTH strategieën. Dit zijn de: preventiestrategie, vergunningenstrategie, toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie.

In deel C staan de uitwerkingsregels en beleidsregels VTH.

In deel D staan de landelijke kaders en achtergrond informatie die gebruikt is voor deze nota en kunnen gebruikt worden voor de nadere uitwerking.

1.2

Wettelijke kaders

De belangrijkste voorschriften staan in de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In deze wetgeving staan kwaliteitseisen voor het beleid, de organisatie en de kwaliteit van personeel. De wet verplicht programmatisch werken. Dit betekent leren van de voorbije periode (evaluatie, jaarverslag), analyse van wat de komende periode nodig is (risicoanalyse en prioritering), bepalen van de beste aanpak van de prioriteiten (strategie) en vervolgens uitvoeren van wat bepaald is (jaarprogramma).

Het doel van de wettelijke kwaliteitseisen in de Wabo en de komende Omgevingswet is een robuust en professioneel werkende uitvoeringsstructuur voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) die:

  • kwaliteitsverbetering, afstemming en gegevensuitwisseling, afstemming straf- en bestuursrecht, en een landelijk speelveld/level playing field nastreeft;

  • bijdraagt aan de realisatie van beleidsdoelen in de fysieke leefomgeving;

  • leidt tot vermindering van regel- en toezichtdruk en tot een gelijk speelveld voor bedrijven;

  • onafhankelijkheid, professionaliteit en vakmanschap, betrouwbaarheid, eenvoud en gezamenlijkheid borgt.

  • De Omgevingswet (verwacht 2022) geeft ons meer ruimte en mogelijkheden om inhoudelijk integrale afwegingen te maken. Het doel van de wet is vooral om ontwikkelingen mogelijk te maken die zorgen voor een verbetering van de omgevingskwaliteit. Die worden nu soms nog gehinderd door tegenstrijdige regels, voor bijvoorbeeld bodem en grondwater, milieu en/of ruimte (zoals afstandsnormen). Ook bij deze nieuwe manier van werken moeten we voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. Deze VTH-strategie zal hierop getoetst en mogelijk daar op aan gepast of aangevuld moeten worden.

    1.3

    Programmatisch werken

    Voor VTH taken werken we programmatisch. Deze manier van werken is opgesplitst in een beleidsmatig en een uitvoerend deel.1Zie hiervoor artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht Het start met de probleem- (en risico)analyse en vervolgens het bepalen van de prioriteiten (WAT is belangrijk, 1e stap in het programmatisch werken). Daarna volgen procedurele, inhoudelijke en organisatorische eisen. Deze manier van werken is deels wettelijk bepaald, deels door jurisprudentie en deels door (landelijke) bestuurlijke afspraken zoals in het VNG of het IPO.2Bijvoorbeeld: Landelijke Handhaving Strategie en BRZO Handhavingsstrategie en daarnaast de landelijke tekst Vergunningenstrategie

    Deze VTH strategie bevat stap 2 in het programmatisch werken: HOE we invulling geven aan het bereiken van goede naleving op de gestelde prioriteiten.

    In de afbeelding hieronder ziet u de beleidscyclus en de samenhang tussen de VTH strategie, doelen en prioriteiten, het jaarlijkse Uitvoeringsprogramma en de evaluatie.

    Strategische afwegingsruimte van het bevoegd gezag

    We hebben afwegingsruimte in de manier van inzet van VTH-instrumenten voor de gestelde prioriteiten. Het gaat met name om:

  • - het vormgeven van het vergunningverleningsproces;

  • - het vormgeven van preventieve instrumenten, gericht op het voorkomen van overtredingen, door bijvoorbeeld gerichte communicatie met doelgroepen;

  • - de manier waarop toezicht wordt uitgevoerd;

  • - het besluit om herstelsanctie op te leggen, hier bepalen we welke bestuurlijke sanctie we toepassen;

  • - gedogen in uitzonderlijke gevallen, binnen de kaders die gelden voor gedogen.

  • 1.4

    Aansturing omgevingsdiensten en gemeenschappelijke regelingen

    Onze omgevingsdiensten en gemeenschappelijke regelingen die gaan over de fysieke leefomgeving in Zeeland ( RUD Zeeland, DCMR, GGD en VRZ) sturen we aan met het instrument accountmanagement. Dit betekent dat we door middel van drie pijlers aansturen:

  • 1. De planning en controle cyclus, hierin houden we grip op de financiën en de kwantiteit;

  • 2. Kwaliteitsbeheer (BIG 8). We zien toe op het toepassen van de VTH strategie en de gestelde prioriteiten;

  • 3. Relatiebeheer. Het onderhouden van een gezonde werkrelatie met onze omgevingsdiensten.

  • De VTH strategie is onderdeel van de tweede pijler.

    1.5

    Missie, Visie VTH strategie

    Missie

    We willen een mooi, schoon, veilig, gezond en duurzaam Zeeland.

    Visie

    Om dit te behouden en verbeteren voeren we een transparante vergunningverlening, risicogericht toezicht en een eenduidige handhaving uit.

    Strategie

    Bij het uitvoeren daarvan werken we samen, integraal, risicogericht, transparant, professioneel, zijn betrouwbaar en leggen de verantwoordelijkheden daar waar deze horen.

    We hebben niet alleen de wens, maar ook de wettelijke plicht3Wet en Besluit VTH om de organisatie en uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving waar nodig te verbeteren. We zorgen voor een ‘gelijk speelveld’ voor burgers, bedrijven of instellingen voor wie een bepaalde regel geldt. Ook omdat iedereen er van uit mag gaan dat we hetzelfde (rechtvaardig en transparant) optreden als dat nodig is. Dat haar rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft. Gemeenten, provincie, de beide omgevingsdiensten, de VRZ, de GGD, het Openbaar Ministerie en de politie treden bij de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving in vergelijkbare gevallen zoveel mogelijk hetzelfde op. Daarbij willen we een hoge professionaliteit, een optimale samenwerking met de ketenpartners. En we zorgen er voor dat de eindproducten, zoals een verleende vergunning of een controle bij een activiteit of een bedrijf, van passende kwaliteit zijn. Dit is onderdeel van risicogericht werken.

    Visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving

    Het stellen van regels, het houden van toezicht op de naleving van regels en het optreden tegen overtredingen is een kerntaak van ons. We willen hiermee voorkomen dat het overtreden van regels de belangen van de overheid, burgers, natuur en milieu schaadt.

    De eerste verantwoordelijkheid voor het beheersen van die risico’s ligt bij de veroorzaker zelf, maar het vraagt ook een actieve houding van de overheid.

    De uitvoering van deze taken vraagt om een heldere visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving. We nemen hierin verantwoordelijkheid en zetten daarvoor de instrumenten uniform, risicogericht en proportioneel in: hard waar het moet en met de verantwoordelijkheid waar die hoort.

    1.6

    Bestuurlijke Uitgangspunten VTH

    We hanteren vanuit deze visie de volgende bestuurlijke uitgangspunten:

    1. Integraal werken

    We werken als 1- loket en zorgen voor een integrale beoordeling van vergunningaanvragen en meldingen. Dit doen we door werken volgens de volgende doelstellingen:

  • (Integraal) Beschermen en benutten fysieke leefomgeving;

  • Verbeteren van de (integrale) dienstverlening;

  • Korte doorlooptijden van besluitvormingsprocessen;

  • Goede en tijdige participatie van burgers en bedrijven bij besluitvorming;

  • Transparantie en inzicht in procedures en processen;

  • Integrale en samenhangende besluiten.

  • Integraal werken is belangrijk. Dit blijkt ook uit de doelstellingen van de Wabo (en later de Omgevingswet). Het komt terug in allerlei wettelijke voorschriften zoals de coördinatie- en doorzendplichten en de verplichte integrale belangenafweging.

    Integraal werken en de 1-loket gedachte vraagt om goed “Casemanagement”. We passen dit toe bij vergunningverlening en toezicht en handhaving. Met integraal werken voorkomen we dat we op één regelgeving goed handelen, maar vanwege strijdigheid of samenloop met andere regelgeving geen samenhangend besluit nemen.

    2. Risicogericht werken

    We richten ons op de grootste risico’s (we kunnen niet alles toetsen en controleren) en zorgen dat deze bedrijven en burgers de regels naleven. We willen de veiligheid verhogen, de kwaliteit van de leefomgeving behouden en onnodige (administratieve) lasten voorkomen.

    Bij het verlenen van nieuwe vergunningen bepalen we risico’s en prioriteiten aan de hand van de strategie voor vergunningverlening en het actualiseringsbeleid voor bestaande vergunningen.

    Ook bij toezicht bepalen we de belangrijkste risico’s en daarmee onze prioriteiten voor het toezicht. Hier wegen we ook het (naleef-)gedrag van bedrijven of burgers mee en de kans dat ze regels overtreden. Hierbij gaat het ook om de vrije veld controles vaak uitgevoerd door private instanties die de groene wetgeving handhaven.

    Met tijdige en goede voorlichting en communicatie proberen we overtredingen en risico’s te voorkomen.

    We stellen periodiek prioriteiten via een probleemanalyse om de beperkte menskracht en middelen evenwichtig te verdelen. We streven er naar deze probleemanalyse elke 4 jaar te vernieuwen. We hebben inzet nodig op veel wetten en regels. Bij het bepalen van de risico’s en inzet kijken we naar de maatschappelijke betekenis van wat er kan gebeuren als een regel niet wordt nageleefd.

    3. Voorkomen van ondermijning

    We willen niet dat burgers of bedrijven een vergunning of toestemming gebruiken om activiteiten uit te voeren met geld dat verdiend is via misdrijven. Ook willen we niet dat burgers of bedrijven een vergunning (mede) gebruiken voor het plegen van misdrijven. We toetsen daarom de integriteit van aanvragers. Als hier onaanvaardbare risico’s uit komen maken we gebruik van bevoegdheden die we hebben in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). We kunnen gerichte aanvullende voorschriften in de vergunning zetten. Ook kunnen we een vergunning weigeren of intrekken. Natuurlijk doen we dat pas na een zorgvuldige en soms gezamenlijke afweging.

    We zetten de instrumenten van preventie, toezicht en sanctie actief in om ondermijnende activiteiten te voorkomen of stoppen. Activiteiten die vallen onder ondermijnen gedogen we niet.

    We gaan ondermijning tegen door goed samen te werken bij de uitvoering van de VTH taken. Zoals met het Openbaar Ministerie, andere overheden en ketenpartners. We sturen op samenwerking en gezamenlijke prioriteiten en wisselen onderling informatie uit. We vinden het wenselijk een eenduidig Zeeuws Bibob beleid te hanteren.

    4. Betrouwbaar: doen wat we moeten doen

    We zijn betrouwbaar voor onze burgers, partners en het bedrijfsleven. Dat doen we bijvoorbeeld door het standaardiseren van werk , toepassen van standaard vergunningsvoorschriften en dezelfde strategie. Dit zorgt voor rechtsgelijkheid.

    5. Transparant

    We voeren de VTH-taken transparant uit. Dit is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, maar staat ook in sommige wetten. Denk aan het publiceren van vergunningen (EU verplichting) en meldingen en aan het openbaar maken van namen van risicovollere bedrijven die herhaaldelijk de regels overtreden. We zorgen dat procedures reproduceerbaar zijn, dat betekent dat het procesverloop en de beslissingen in het dossier staan.

    6. Professioneel: kwaliteit, kennis en kunde

    De uitvoering van taken voldoet minimaal aan de (landelijk) gestelde proces- en kwaliteitscriteria 2.2. Het vaststellen en implementeren van een VTH Verordening is hiervoor een goed instrument.

    7. Verantwoordelijkheid waar deze hoort

    We nemen onze verantwoordelijkheid en werken binnen de kaders van geldende wet- en regelgeving. We gaan uit van de beginselplicht4Dit betekent dat bij een overtreding van een voorschrift het bevoegd gezag daartegen in de regel handhavend moet optreden. tot handhaving. Dit geldt ook voor de eigen vergunde werkzaamheden en die van medeoverheden.

    We benaderen bedrijven, instellingen, particulieren en overheden vanuit het principe dat iedere partij eigen verantwoordelijkheid heeft. Daarom verwachten we ook dat bedrijven, instellingen, particulieren en overheden hun eigen verantwoordelijkheid voor de naleving van regels oppakken, onder andere door:

  • goede en volledige informatie aan te leveren bij vergunningaanvragen en meldingen;

  • zelf te zorgen voor actieve en betrouwbare informatie over risicovolle activiteiten, door ongewone voorvallen tijdig te melden. Vanwege de gevolgen voor interne en externe veiligheid en de leefomgeving.

  • De uitwerking van de uitgangspunten in de verschillende bestanddelen van de VTH strategie staat in deel B.

    Reikwijdte VTH strategie Zeeland

    Deze VTH strategie geldt voor de uitvoering en handhaving van de taken die onder gebracht zijn bij omgevingsdiensten en gelden voor de overige Wabo taken en autonome taken. Dat zijn:

    Wetten en daaruit voortkomende regels waarvoor in de wet als het bevoegd gezag is aangewezen één van de onderstaande:

  • - de commissaris van de Koning;

  • - het college van gedeputeerde staten;

  • - de burgemeester;

  • - het college van burgemeester en wethouders:

  • - Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

  • - Wet ruimtelijke ordening

  • - Woningwet

  • - Wet erfgoed (Monumentenwet)

  • - Huisvestingswet

  • - Wet milieubeheer

  • - Wet geluidhinder

  • - Wet bodembescherming

  • - Wet Natuurbescherming (Wnb)

  • - Waterwet

  • - Wet inzake de luchtverontreiniging

  • - Wet op de Kansspelen

  • - Drank- en horecawet

  • - Wet Bibob

  • - Algemene plaatselijke verordening

  • - Wet veiligheidsregio’s

  • - Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob)

  • - Wet basisregistratie ondergrond

  • - Wet hygiëne en veiligheid van badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz)

  • - Wet luchtvaart (Wlv)

  • - Ontgrondingenwet (Ow)

  • - Luchtvaartverordening

  • - Omgevingsverordening (vervangt: oude verordeningen Ruimte, ontgrondingen, water-, distel-, landschaps-, natuurbescherming-, varen en wegen)

  • En op deze wetten gebaseerde besluiten (AMvB’s) en Ministeriele regelingen.

    Na 2022 (verwachting) treedt de Omgevingswet in werking. Daarmee vervallen een groot aantal wetten en regels.

    Deel B: De VTH deel strategieën2.0

    Preventiestrategie Vergunningverlening-, Toezicht- en Handhavingsbeleid Zeeland2.1

    Inleiding De VTH strategie in onderdelen

    We hebben verschillende deelstrategieën voor de VTH-taken. We volgen daarbij zoveel mogelijk de landelijke strategieën. Dat zorgt voor uniforme besluiten en een transparant besluitvormingsproces voor bedrijven, burgers, instanties en derden.

    2.2

    Preventiestrategie Vergunningverlening-, Toezicht- en Handhavingsbeleid Zeeland

    Voor een mooie, schone, veilige, gezonde en duurzame leefomgeving is het belangrijk dat burgers, bedrijven en instellingen regels naleven. Daarom willen we overtredingen voorkomen en naleving bevorderen. Het doel van preventie is de naleving van regels vergroten. Het naleven van regels is niet altijd vanzelfsprekend. Door de inzet van communicatiemiddelen (voorlichting) en ondersteunend optreden (vooroverleg) beïnvloeden we het gedrag op een positieve manier.

    We vinden het belangrijk om duidelijk te maken welke regels er zijn, waarom ze er zijn en hoe we er op toe zien. Met een goede inzet van communicatiemiddelen kunnen we het naleefgedrag aanzienlijk verbeteren. Pas als regels bekend zijn kunnen burgers, bedrijven en instellingen deze bewust naleven. Natuurlijk blijft het wel primair de verantwoordelijkheid van de burger, ondernemer of instelling zelf om op de hoogte te zijn en blijven van regels.

    Vergunningverleners en toezichthouders zijn een belangrijke schakel tussen overheid, burgers en bedrijven en spelen een grote rol in de verbetering van het naleefgedrag. Zij hebben rechtstreeks contact met de burgers en bedrijven en kunnen regels uitleggen en toelichten. Ook de overige medewerkers hebben een belangrijke rol in contacten met burgers en bedrijven.

    2.3

    Samenhang preventie, toezicht en sanctie

    Preventie, toezicht en sanctie kunnen zowel na elkaar als naast elkaar worden ingezet om naleefgedrag te bevorderen. Preventieve instrumenten zetten we wel eerder in bij welwillend gedrag en toezicht en sanctie meer bij calculerend en bewust overtredend gedrag. Maar preventieve instrumenten kunnen ook bij calculerend gedrag bijdragen aan betere naleving.

    We zetten voor ons vergunningverlening-, toezicht- en handhavingsbeleid de volgende preventieve instrumenten in:

  • → Eenvoudige en duidelijke regels

    Regels die we zelf maken of voorschriften in een vergunning die we verlenen zijn zo eenvoudig en begrijpelijk mogelijk opgesteld. Waardoor zo min mogelijk discussie over de interpretatie kan ontstaan. En we proberen te voorkomen dat iemand ze niet snapt. Bij landelijk gemaakte regels hebben we hier weinig invloed op.

  • → Zorgen voor begrip

    We laten de reden en achterliggende gedachte van regels weten. Iemand die weet en begrijpt waarom regels er zijn is eerder geneigd deze te accepteren en te volgen. Vergunningverleners en toezichthouders kennen de regels en de achterliggende gedachte en dragen deze gevraagd en ongevraagd uit.

  • → Handhaafbare regels

    Regels zijn zo geformuleerd dat ze uitvoerbaar zijn. Ook zorgen we dat we de regel (zo eenvoudig mogelijk) kunnen controleren. Als we zelf regels of voorschriften maken dan laten we een handhaafbaarheidstoets uitvoeren door vergunningverlening, toezicht en handhaving.

  • → Informeren over (nieuwe) regels en processen

    We communiceren actief over (nieuwe) regels en geven voorlichting. Als een burger of ondernemer niet bekend is met de regels, dan weet die soms niet dat hij/zij in overtreding is. We communiceren via een passend communicatiemiddel voor de doelgroep. Je hebt massacommunicatie zoals een bericht op een website en gerichte communicatie zoals via een brief. We leggen regels en processen uit.

  • → Stimuleren vooroverleg

    We stimuleren vooroverleg bij initiatieven of plannen voor activiteiten. Vooroverleg is een overleg tussen een initiatiefnemer en de overheid (of overheden) die over toestemming voor de plannen gaat. Vooroverleg zorgt er voor dat we op tijd kunnen meekijken of een plan naar verwachting past binnen kaders en regels en welke voorschriften gaan gelden. De initiatiefnemer kan daar in een vroeg stadium rekening mee houden. Voor het beoordelen van vergunningaanvragen gelden ook steeds kortere termijnen. Een goede en volledige aanvraag is daarom belangrijk. Vooroverleg versnelt en stroomlijnt het vergunning proces en beperkt het aantal vergunningaanvragen dat we buiten behandeling moeten laten of het aantal vergunningen dat we moeten weigeren.

  • → Zichtbaarheid toezicht en handhavingsactiviteiten

    We laten zien dat we toezicht houden en handhaven als dat nodig is. We communiceren over toezicht- en handhavingsprioriteiten en over grotere handhavingsprojecten. Het openbaar maken van toezichtresultaten op bedrijfsniveau is ook een preventiemiddel. Wij gebruiken dit terughoudend en eigenlijk alleen als we dit wettelijk verplicht zijn. We zijn daarnaast zelf als toezichthouder regelmatig zichtbaar aanwezig in het veld. In jaarprogramma’s en projectplannen nemen we preventie en communicatie standaard als instrument op.

  • → (integraal) Samenwerken

    We treden zo veel mogelijk gezamenlijk en eenduidig op. Landelijke regels passen we uniform toe. Lokale regels en voorschriften zijn zoveel mogelijk gelijk en afgestemd. Dit geeft duidelijkheid en zorgt voor meer begrip.

  • → Informatie delen

    Overheden delen onderling zo veel mogelijk informatie. Zo kunnen overheden risicogericht en informatie-gestuurd toezicht houden en handhaven. Maar ook de handhaving efficiënter en effectiever inrichten. Informatie over een bedrijf, burger of instelling is zoveel mogelijk centraal opgeslagen en raadpleegbaar voor overheden onderling, mits dit wettelijk is toegestaan.

  • → Maatschappelijke controle stimuleren

    We juichen sociale controle toe, zoals buurtpreventie. We willen dat de omgeving de regels kent, overtredingen kan signaleren en met elkaar in gesprek gaat hierover. Vergunningen en besluiten zijn zoveel mogelijk digitaal in te zien. We vragen klagers vooral (ook) om zelf richting de overlastgever aan te geven dat ze overlast hebben. Wijkcoördinatoren, wijkmanagers, wijkagenten en Boa’s spelen een belangrijke rol in het stimuleren van maatschappelijke controle.

  • Hoe communiceren we?

    We gebruiken een communicatiemiddel dat past bij de doelgroep en dat aansluit bij het moment of het gedrag van iemand. We communiceren bij voorkeur interactief, want dan kunnen we gelijk nagaan of de informatie goed over komt. We kijken ook naar de gedragsmotieven (dat kan bijvoorbeeld meewerkend zijn of expres tegenwerken) van degene aan wie we communiceren voor de keuze van het communicatiemiddel.

    3.0

    Vergunningenstrategie3.1

    Inleiding

    We stellen vergunningen op volgens de wettelijke eisen en volgens vastgestelde beleidsuitgangspunten. Als uitgangspunt nemen we de concept Landelijke vergunningen strategie (LVS). We stellen heldere, transparante en handhaafbare vergunningen op en verlenen ze binnen de gestelde termijn. Initiatiefnemers hebben een eigen verantwoordelijkheid om aan hun verplichtingen te voldoen. Bij initiatieven waar meerdere vergunningen of toestemmingen voor nodig zijn, stemmen we zoveel mogelijk af met andere bevoegde overheden en omgevingsdiensten. Waarbij we niet als adviesbureau functioneren maar als procesbegeleider. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het aanvragen van zijn product. Dit doen we vanuit de 1-loket-gedachte. Hiermee voorkomen we dat we een activiteit deels vergunnen, maar deze op basis van andere wetgeving toch niet mag. Het vooroverleg is hierbij een belangrijk onderdeel. In de kwaliteitseisen heet dit vereiste “casemanagement”.

    Onder vergunningverlening verstaan we:

  • - het afgeven, weigeren of wijzigen van een vergunning waarbij we aan een bedrijf, particulier of (bestuurlijke) organisatie toestemming verlenen om een bepaalde activiteit (die zonder vergunning verboden is en niet mag worden uitgevoerd), tóch uit te voeren

  • - verlenen van een ontheffing

  • - afhandelen van een melding

  • - opleggen van een maatwerkbesluit of nadere voorwaarde

  • - afgeven van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb)

  • - het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning

  • Het maken van een gedoogbeschikking is onderdeel van de gedoogstrategie. Een gedoogbeschikking heeft een andere insteek dan een vergunning. Daarnaast is het proces van gedogen gekoppeld aan handhaving, omdat we eerst afwegen om te handhaven.

    De Wabo verplicht werken als 1- loket en een integrale, omgevingsgerichte beoordeling van vergunningaanvragen en meldingen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de doelstellingen van deze wetten en komt terug in wettelijke voorschriften over de coördinatie- en doorzendplichten en de verplichte integrale omgevingsgerichte belangenafweging.

    Ook de Omgevingswet heeft integraal werken en beoordelen als uitgangspunt. Het vooroverleg heeft hierin een belangrijke functie. Wel staat het een aanvrager vrij bepaalde activiteiten los aan te vragen.

    3.2

    Integraal werken is ons uitgangspunt

    Bij de uitvoering benaderen we wetten en besluiten integraal. Dit betekent dat we plannen en initiatieven zo vroeg mogelijk integraal beoordelen, ook op basis van de vergunningenstrategie. De betrokken bevoegde gezagen en omgevingsdienst(en) werken gericht met elkaar samen voor integrale en samenhangende besluitvorming.

    1 We passen integraal casemanagement toe

    Het belangrijkste instrument van integraal werken is casemanagement. Dit is een strategisch uitgangspunt en staat los van waar het binnen de organisatie ondergebracht is.

    Casemanagement vergunningverlening

    Casemanagement is vaak de eerste stap in het proces van integrale benadering van een project of aanvraag. Daarna komt vergunningverlening en toezicht. Casemanagement is belangrijk voor de omgeving en de klant. Ook is het belangrijk voor de uitvoering van taken door betrokken organisaties of afdelingen. Het draagt bij aan integrale behandeling en het verkorten en transparant maken van procedures. Dit verhoogt het kwaliteit- en dienstverleningsniveau. Goed casemanagement zorgt voor een integrale beoordeling van samenhangende aanvragen en uiteindelijk besluitvorming op maat, passend in de omgeving.

    Vanuit de Wabo moeten we casemanagement minimaal toepassen op de wettelijke taken uit de Wabo (en daaronder vallende wetten), de Waterwet en de Wet natuurbescherming.

    Een casemanager voert het casemanagement uit . De casemanager is verantwoordelijk voor integrale beoordeling van aanvragen en coördineert samenhangende besluiten. De casemanager stemt af met andere betrokken bevoegde gezagen of adviesorganen, dit kunnen zijn:

  • (andere) Gemeente

  • Provincie Zeeland

  • RUD Zeeland

  • DCMR (voor BRZO-zaken)

  • VR Zeeland

  • GGD Zeeland

  • Waterschap Scheldestromen

  • Rijksoverheid (bijvoorbeeld IL&T, RWS)

  • 2 Aanvragen voorzien we van een goed bij de omgeving passend kader (zie model hieronder)

    De manier waarop we invulling geven aan vergunningverlening en casemanagement is sterk afhankelijk van het kader waarbinnen we het beoordelen.

    Hierbij maken we onderscheid tussen:

  • omvang en aard van aangevraagde activiteiten;

  • de specifieke omgeving waarin de activiteiten worden uitgevoerd.

  • Daarnaast beoordelen we de aanvrager op naleefgedrag en in sommige gevallen op integriteit volgens ons Bibob beleid.

  • Op basis van deze indicatoren bepalen we of aanvragen technisch- of sociaal-maatschappelijk eenvoudig of complex zijn. We delen aanvragen in 4 typen vergunningen:

    Vergunning eenvoudig

    Een vergunning voor een situatie met geringe technische en sociaal-maatschappelijke complexiteit bestaat vooral uit standaardvoorschriften.

    Vergunning eenvoudig+

    Is de situatie technisch-inhoudelijk niet complex maar sociaal-maatschappelijk wel, dan bestaat een vergunning vooral uit standaardvoorschriften en geven we extra aandacht aan afstemming, overleg en samenwerking tussen betrokken partijen.

    Vergunning specifiek

    Bij een technisch-inhoudelijk complexe situatie met een geringe sociaal-maatschappelijke complexiteit bestaat de vergunning vooral uit specifieke voorschriften.

    Vergunning specifiek+

    De situatie is technisch-inhoudelijk en sociaal-maatschappelijk gezien complex. Dit vraagt om specifieke voorschriften in een vergunning en een zorgvuldige afstemming, samenwerking en overleg tussen betrokken partijen.

    De 4 typen vergunningen schematisch weergegeven.

    Figuur: Vier typen vergunningen, afhankelijk van de technisch-inhoudelijke en sociaal-maatschappelijke complexiteit van het project, de inrichting of activiteit en/of het gebied waarin de inrichting is gevestigd of de activiteit plaatsvindt.

    De indicatoren spelen bij vergunningverlening een belangrijke rol bij het formuleren van een bij de omgeving passend kader voor de activiteiten. De indeling is breder toepasbaar dan alleen voor vergunningen. We gebruiken de werkwijze ook voor het behandelen van meldingen, het verlenen van ontheffingen, het opstellen van maatwerkvoorschriften of bij toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling.

    3 We werken met actuele vergunningen

    Actuele vergunningen dragen bij aan verlaging van de druk op de fysieke leefomgeving, bescherming van natuur en verbetering van naleefgedrag. Een actuele omgevingsvergunning met de laatste stand der techniek en kennis erin verwerkt is beter toetsbaar en handhaafbaar. De Wabo verplicht actualisatie van omgevingsgunningen milieu. Dit geldt niet voor andere typen vergunningen. De Europese Richtlijn Industriële Emissies verplicht daarnaast extra actualisatie van vergunningen van IPPC-installaties.

    Voor het actueel houden van omgevingsvergunningen milieu passen we het volgende beleid toe:

    Jaarlijks nemen we in het VTH-programma de volgorde en prioritering op van welke vergunningen we moeten actualiseren en de capaciteit die we daar voor nodig hebben.

    Het vergunningenbestand beoordelen we bij de actualisatietoets op de volgende aspecten:

  • - Is er sprake van nieuwe wet- en regelgeving waardoor vergunningen binnen een in die wet gestelde termijn aangepast moeten worden?

  • - Zijn de voorschriften (nog steeds) goed handhaafbaar?

  • - Milieuvergunningendossiers van tien jaar oud (voor bedrijven die onder BRZO vallen is dit 5 jaar) toetsen we op inhoud, actualiteit van de voorschriften en overzichtelijkheid.

  • De uitkomsten van de actualisatietoets nemen we op in een meerjarenplan vergunningverlening.

    We nemen wijzigingen in de bedrijfsvoering niet mee in deze actualisatie, omdat dan het initiatief bij het bedrijf ligt om een veranderings- of revisievergunning aan te vragen. Ook als er om andere redenen een verschil is tussen de feitelijke en de vergunde situatie dan valt dit buiten de actualisatieplicht.

    4 Intrekken vergunningen

    We verlenen jaarlijks verschillende soorten vergunningen. De meeste projecten en activiteiten realiseert de vergunninghouder gelijk nadat de vergunning is verleend. Maar het komt ook voor dat een initiatiefnemer geen, of pas na jaren gebruik maakt van een vergunning.

    We vinden het ongebruikt laten voortbestaan van rechten uit vergunningen, om meerdere redenen ongewenst:

  • We moeten voorkomen dat bouwwerken of activiteiten die in het verleden zijn vergund maar nog niet zijn gerealiseerd, (nieuwe) planologische en stedenbouwkundige inzichten doorkruisen.

  • Het moetenvoorkomen dat nieuwe bouwwerken c.q. activiteiten worden gebouwd/uitgevoerd naar verouderde technische inzichten.

  • Het is vanuit administratief oogpunt gewenst dat het vergunningenbestand zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie buiten.

  • Het is voor omwonenden onplezierig als zij geconfronteerd worden met oude ongebruikte rechten, waar ze geen rechtsmiddelen meer tegen kunnen aanwenden.

  • We beogen in de hiervoor genoemde situaties, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, de vergunning na verloop van een bepaalde periode in te trekken (in de Wabo staat genoemd wanneer wij een vergunning mogen intrekken.)

    We kunnen vergunningen intrekken als:

  • een vergunning op basis van onjuiste of onvolledige informatie verleend is;

  • de aanvrager erom verzoekt;

  • de aanvrager is overleden (bijvoorbeeld in APV-vergunningen);

  • het gevaar bestaat dat de vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten;

  • van de vergunning een bepaalde periode geen gebruik is gemaakt.

  • De wet bepaalt deels wanneer wij een vergunning mogen intrekken(bijvoorbeeld in de Woningwet of APV) en deels is het gebaseerd op jurisprudentie (bijvoorbeeld bij omgevingsvergunningen milieu).

    5 Uitgangspunten vergunningverlening

    Bij het behandelen van een vergunningaanvraag of een ingediende melding hanteren we de onderstaande vier uitgangspunten om te zorgen voor een kwalitatief goede beoordeling. Deze uitgangspunten geven invulling aan de algemene uitgangspunten van onze VTH-strategie uit Deel A. Dit zijn: integraal werken, risicogericht werken (o.a. door probleemanalyse), toetsen integriteit aanvragers, betrouwbaarheid, transparantie, professionaliteit en verantwoordelijkheid waar deze hoort.

    a. Omgevingsgericht, integrale afstemming aan de voorkant

  • nieuwe activiteiten toetsen we op belasting van de omgeving;

  • we beoordelen integraal, toetsen aan de weigeringsgronden en beoordelen inhoudelijk;

  • we voorkomen onacceptabele omgevingsbelasting;

  • politiek-bestuurlijke speerpunten geven we prioriteit;

  • bij (potentiële) maatschappelijke onrust communiceren we goed naar de omgeving;

  • we stimuleren innovatie en duurzaamheid.

  • b. Transparant, voorspelbaar en betrouwbaar

  • we passen landelijke standaarden en eigen beleid toe;

  • we maken , heldere en transparante, begrijpelijke, handhaafbare vergunningen op maat, deze zijn openbaar en digitaal beschikbaar (dit is bijvoorbeeld voor IPPC-bedrijven een wettelijk verplicht);

  • we baseren voorschriften op de best beschikbare technieken (BBT) en stellen vooral doelvoorschriften; bedrijven kunnen dan zelf bepalen hoe ze daar aan voldoen. Dit past bij onze uitgangspunten voor deregulering en vermindering van administratieve lasten en meer zelfsturing;

  • vergunningen van IPPC- en BRZO-bedrijven leggen we overzichtelijk vast, zodat alle verplichtingen van het bedrijf op ieder moment inzichtelijk zijn. We hebben ook een overzicht van al deze bedrijven digitaal beschikbaar.

  • c. Maatwerk bij beleidsrijke situaties en/of bij een slecht naleefgedrag5 Naleefgedrag is de mate waarin bedrijven, burgers of instellingen regels en voorschriften volgen. We onderscheiden spontane naleving en naleving door het uitoefenen van toezicht en handhaving. Bijvoorbeeld de kans op een sanctie en de hoogte van de sanctie. Zie hiervoor het onderdeel sanctiestrategie.

  • we behandelen besluiten voor activiteiten die bij niet naleven schade kunnen veroorzaken aan leefomgeving, gezondheid, veiligheid en natuur intensiever. De besluiten bevatten meer maatwerk- en of middelvoorschriften. De aanvraag (wat vraagt de aanvrager precies), het besluit (wat staan we toe) en de voorschriften (onder welke voorwaarden staan we het toe) formuleren we in detail;

  • als landelijke voorschriften niet goed helder zijn, niet goed toepasbaar voor een specifieke situatie of als de initiatiefnemer een slecht naleefgedrag heeft dan stellen we maatwerk- en/of middelvoorschriften op. Maatwerk- en middelvoorschriften geven minder speelruimte voor eigen invulling en meer duidelijkheid, ook voor de omgeving, toezichthouders en handhavers.

  • d. Gezamenlijk en professioneel

  • het proces van vergunningverlening begint met een voorbereidende fase waarin de initiatiefnemer de mogelijkheden verkent, een aanvraag opstelt en eventueel vooroverleg heeft;

  • het proces van vergunningverlening eindigt bij de oplevering naar toezicht, soms voeren we een gezamenlijke opleveringscontrole uit;

  • als we dat wettelijk moeten, publiceren we de onherroepelijke vergunning voor iedereen;

  • we dragen het casemanagement over aan toezicht.

  • 6 Stappenplan vergunningenstrategie

    In het schema staan samengevat en globaal de stappen van het proces van vergunningverlening. Een aantal processtappen kunnen en moeten we uitwerken in protocollen en werkinstructies.

    4.0

    Toezichtstrategie4.1

    Inleiding

    Met toezicht houden we zicht op naleving van regelgeving en risico’s van niet-naleven. Dat burgers, bedrijven en instellingen regels volgen is in onze samenleving niet vanzelfsprekend. We zien toezicht als een middel om de naleving van regels te bevorderen. Toezicht draagt bij aan een schone, veilige, gezonde en mooie leefomgeving voor iedereen. Activiteiten zorgen voor risico’s voor de leefomgeving en we willen deze risico’s beperken en beheersen. Door een aantal activiteiten waren er in het verleden incidenten of rampen en dat kan weer gebeuren. We vinden het belangrijk dat te voorkomen. Of burgers, bedrijven en instellingen regels naleven hangt af van de spontane naleving, maar ook van controleren en handhaven als dat nodig is. De toezichthouders controleren niet alleen of regels worden nageleefd, maar bevorderen ook het naleefgedrag.

    4.2

    Doel van toezicht

    We houden toezicht om het ontstaan van risico’s voor de leefomgeving zo klein mogelijk te houden. We vinden het belangrijk om op dezelfde manier toezicht te houden in gelijke gevallen.

    We bereiken hiermee:

  • transparantie;

  • professionaliteit;

  • rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor burgers, bedrijven en instellingen waarop we toezicht houden;

  • effectiviteit en efficiency bij uitvoering, zo kunnen we met zo min mogelijk inspanning en zo laag mogelijke kosten zo veel mogelijk bereiken.

  • Voorwaarde daarbij is wel dat regels eenduidig, correct, duidelijk en toepasbaar zijn op de (zelfde) situatie(s).

    De toezichtstrategie gaat over de werkwijze van het vaststellen van het toezichtprogramma tot en met het al dan niet constateren van de overtreding. Bij overtredingen reageren we volgens de sanctiestrategie. Vaak betekent dit dat we handhaven om te zorgen dat de overtreding stopt of zich niet herhaald.

    4.3

    Wanneer houden we toezicht?

    We richten het toezicht op de meest risicovolle situaties: waar de kans het grootst is dat het naleefgedrag onvoldoende is en dit leidt (of kan leiden) tot schade aan de leefomgeving, de volksgezondheid, de veiligheid en natuur (vrije veld controles). Het is namelijk onmogelijk om binnen de beschikbare capaciteit, middelen en tijd alle objecten, activiteiten en locaties op alle punten te controleren. Dit is ook niet nodig, want niet alle situaties zijn even risicovol. Voor de evaluatie van toezicht, registreren we het uitgevoerde toezicht en het naleefbeeld (waarop is toezicht gehouden en de overtreding soorten). Zo kunnen we de output maar ook de outcome evalueren.6Zie voor de vereisten i.v.m. het jaarverslag artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht (outcome) en artikel 10.6 van de Regeling omgevingsrecht (output)

    Naast toezicht hebben we ook andere mogelijkheden om het naleefgedrag te verbeteren, bijvoorbeeld communicatie en/of subsidiëring. Hier staat meer over in de preventiestrategie.

    Met een probleem- en risicoanalyses stellen we de prioriteiten voor toezicht.

    4.4

    Wat is toezicht?

    De term toezicht wordt vaak zowel in brede als in enge zin gebruikt. In brede zin is het de overkoepelende term voor al het inspectiewerk in combinatie met het woord handhaving. In enge zin bedoelt men het als het concrete werk van een toezichthouder.

    Toezicht is het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen. En het daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan ingrijpen.

    Speciaal daarvoor aangewezen toezichthouders voeren het toezicht uit. Een toezichthouder is een persoon namens het bevoegd gezag belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Toezicht zorgt voor een belangrijk preventief effect. Bij toezicht voeren we een controle uit ook zonder dat we een overtreding vermoeden of daarvan weten. We kunnen een bezoek aan een activiteit, een bedrijf, een locatie, een bouwwerk of een persoon brengen.

    Samengevat: onder toezicht verstaan we het controleren of en in hoeverre burgers, bedrijven of instellingen regels naleven.

    Integraal toezicht

    We willen voorkomen dat burgers en bedrijven onnodig vaak gecontroleerd worden. Daarom stemmen we toezicht acties zoveel mogelijk af en voeren we als verschillende instanties of verschillende onderdelen van instanties controles bij bedrijven of activiteiten zoveel mogelijk tegelijkertijd uit.

    Dan gaat het om gezamenlijk toezicht, signaaltoezicht of integraal toezicht.

    4.5

    Toezichtmethode

    We houden toezicht op de voor de doelgroep meest effectieve en meest efficiënte methode.

    De keus voor de methode hangt onder andere af van:

  • Kennis van regelgeving;

  • Kosten en baten;

  • Mate van acceptatie;

  • Gezagsgetrouwheid doelgroep naar aanleiding van naleefgedrag.

  • Voor ons betekent de toezichtstrategie ook:

  • het krijgen van inzicht in het naleefgedrag en de motieven voor naleving;

  • het krijgen van inzicht door het samenbrengen van specifieke en gezamenlijke gegevens. Bijvoorbeeld om het effect van toezicht en handhaving te meten of om trends en ontwikkelingen zichtbaar te maken. Met deze gegevens kunnen we onze strategie eventueel aanpassen.

  • Voor de doelgroep betekent dit:

  • heldere communicatie over het naleefgedrag en waar dat onvoldoende is en wat daarvan de consequenties zijn (voor de omgeving, voor doelgroep zelf);

  • inzicht in de mogelijkheden om het gedrag te verbeteren;

  • kennis van algemene preventieve werking en kennis dat we toezicht houden en overtredingen opmerken;

  • kennis van wat de consequentie is van voortdurend niet naleven.

  • Voor de omgeving betekent dit:

  • vertrouwen dat de veiligheid, gezondheid en leefbaarheid voldoende gewaarborgd zijn.

  • Preventief of repressief toezicht

    We gebruiken 2 hoofdvormen van toezicht:

  • Preventief toezicht

    Dit zijn controles die we op basis van de risicomethodiek in de verschillende planningen opnemen. Uit de risicomethodiek volgt de controlefrequentie. Een preventieve controle is gepland en terugkerend.

  • Repressief toezicht

    Dit zijn controles met een specifieke aanleiding zoals signalen, klachten, handhavingsverzoeken, meldingen maar ook de bevindingen van eerdere controles en gegeven hersteltermijnen (hercontroles).

  • Vormen van toezicht

    Bij preventieve en repressieve controles zetten we verschillende toezichtinstrumenten of combinaties van instrumenten in. De methode bevat de meest voor de hand liggende vorm van toezicht, de prioriteit of het thema. Vormen van toezicht:

  • aangekondigd of onaangekondigd;

  • steekproeven;

  • fysiek toezicht, zichtbare aanwezigheid;

  • administratief toezicht;

  • aspectcontrole;

  • systeemtoezicht (bijvoorbeeld het veiligheidssysteem bij BRZO-bedrijven);

  • concerntoezicht (bijvoorbeeld op het compliance-systeem, werken volgens verschillende soorten regelgeving bij een concern met meerdere vestigingen).

  • De meest geschikte toezichtvorm leggen we vast in het jaarlijks uitvoeringsprogramma, in een projectplan, in een samenwerkingsprogramma of in een toezichtplan.

    Klachten en ongewone voorvallen

    In het uitvoeringsprogramma reserveren we ook uren voor niet gepland toezicht, dit zijn ongewone voorvallen en klachten. Ongewone voorvallen of klachten onderzoeken we altijd. We voeren een administratieve of controle ter plaatse uit om te beoordelen of de klacht terecht is. Als dat nodig is ondernemen we actie en informeren we de klager.

    Toezicht tijdens de verschillende fasen van een bouwwerk

    Toezicht voeren we op verschillende momenten uit. In deze toezichtstrategie staan een aantal richtlijnen, zodat controles bij bedrijven, instellingen en objecten hetzelfde zijn. Verschillende toezichthouders voeren namelijk toezicht uit op verschillende aspecten. Soms doen ze dit samen. We kennen daarin verschillende fasen.

  • Realisatiefase

    De fase tijdens het inrichten van activiteiten, aanleggen en bouwen.

  • Beheer- of gebruiksfase

    De fase tijdens het gebruik van een object of uitvoeren van activiteiten.

  • Sloopfase/beëindiging

    Tijdens deze fase worden activiteiten gestaakt of bouwwerken gesloopt en waar nodig de vergunning ingetrokken.

  • Toezicht bij Gedogen

    We houden actief toezicht op gedoogsituaties. Regelmatig controleren we of de overwegingen van de beslissing om af te zien van handhaving, nog actueel zijn. We kijken of de vergunninghouder de opgelegde beperkingen en voorwaarden naleeft. Zo niet, dan handhaven we volgens ons beleid.

    5.0

    Sanctiestrategie5.1

    Doel

    In de sanctiestrategie staan de kaders die wij gebruiken bij handhavend optreden als we een overtreding constateren.

    5.2

    Beginselplicht tot handhaven

    Als we een overtreding van een voorschrift constateren, treden we hier in beginsel tegen op. Prioritering maakt voor de vraag óf we handhaven niet uit. We stellen vooral in de toezichtfase prioriteiten aan de hand van risico’s. Als we eenmaal controleren en we constateren een overtreding, dan is handhaven in beginsel het vervolg. Deze verantwoordelijkheid staat voor omgevingsrecht in diverse bijzondere wetten, de Algemene wet bestuursrecht en in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de zogenoemde beginselplicht tot handhaven7Geformuleerd in ABRvS 7 juli 2004, LJN AP82422 ABRvS 5 oktober 2011, AB 2011, 307, JB 2011, 261, NJB 2011, 1911, Gst 2012, 73 Uit: Landelijke Handhavingstrategie (LHS) Een passende interventie bij iedere bevinding (versie 1.7 april 2014).

    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. In gevallen waarin het bestuursorgaan in dat kader redelijk te achten beleid voert, bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, dient het zich echter in beginsel aan dit beleid te houden. Dit laat onverlet dat slechts onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan mag worden gevergd, van handhaving af te zien. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

    De bovengenoemde ‘standaard formulering’ uit 2004 voor de beginselplicht tot handhaven is inclusief de precisering die de Raad van State in 2011 heeft toegevoegd8ABRvS 5 oktober 2011, AB 2011, 307, JB 2011, 261, NJB 2011, 1911, Gst 2012, 7.

    Voor het Openbaar Ministerie ligt de basis van deze verantwoordelijkheid in artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie en in de Europese richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht 5. Het uitgangspunt is dat wij en het Openbaar Ministerie, beide vanuit onze eigen verantwoordelijkheid, ons handelen afzonderlijk en in combinatie richten op het naleven van wet- en regelgeving9Uit: Landelijke Handhavingstrategie (LHS) Een passende interventie bij iedere bevinding (versie 1.7 april 2014).

    Het kenmerk van professionele handhaving is een consequente uitvoering. Handhaving kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk. Strafrechtelijk optreden gaat vaak in samenwerking met externe partners als de politie. Onder handhaving verstaan we: het afdwingen van het naleven van regels door de inzet van juridische/bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen. Bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, het intrekken van de vergunning, de bestuurlijke boete, de bestuurlijke strafbeschikking en het opmaken van een proces-verbaal. We noemen dit ‘interventies’.

    Aan handhaving kunnen, afhankelijk van de ernst van het geval, andere interventies vooraf gaan, bijvoorbeeld een gesprek. Als hierdoor de overtreding opgehouden is, dan zijn bestuursrechtelijke handhavingsbesluiten niet nodig.

    We bepalen de ernst van de overtreding door onder meer te kijken naar het gevolg van de overtreding. Naast de ernst van de overtreding bepaalt het gedrag van de overtreder de zwaarte van de sanctie.

    5.3

    Landelijke Handhavingsstrategie

    Verschillende (landelijke) partijen10Deze strategie is opgesteld door IPO en het OM, in samenwerking met de VNG, de UvW, het ministerie van I&M, de Inspectie Leefomgeving en Transport, ISZW, politie en de vereniging van omgevingsdiensten. stelden in 2014 de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) vast. Met de LHS willen ze de organisatie en uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving verbeteren en zorgen voor een gelijk speelveld voor burgers, bedrijven en instellingen waar regels voor gelden. Een ander doel van de LHS is dat de omgeving ervan uit mag gaan dat we optreden als dat nodig is en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft. De LHS geeft daarom aan hoe we per situatie reageren bij welke soort overtreding. Wij passen de LHS (opgenomen in deel D) toe met in achtneming van onderstaande nuanceringen.

    Sanctiestrategie

    Als we een overtreding constateren dan handhaven we volgens de LHS. Het stappenplan start bij de constatering van een overtreding tijdens het toezicht. De sanctiestrategie bepaalt hoe en welke sanctie we inzetten. De strategie zorgt voor meer afstemming en een passende inzet van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke instrumenten, doordat:

  • We elke overtreding beantwoorden met een passende reactie. De keuze voor het instrument hangt af van het gedrag van de overtreder (waarom leeft de overtreder niet na?) en de soort en ernst van de overtreding;

  • We rekening houden met verzachtende of verzwarende omstandigheden, zoals een rechtvaardigingsgrond en de hoeveelheid schade waartoe de overtreding (mogelijk) leidt;

  • Onze reacties strenger worden als overtredingen voortduren of zich herhalen;

  • De methodiek een goede basis is voor het maken van (werk)afspraken over afbakening en werkwijze tussen het Openbaar Ministerie, de politie en de buitengewone opsporingsambtenaren;

  • Wij voor het doen beëindigen van veel voorkomende overtredingen standaard hersteltermijnen gebruiken.

  • Een bestuurlijk vastgestelde specifieke handhavingsaanpak voor een apart taakveld gaat voor op deze strategie. Hier hebben wij het over specifieke handhavingsaanpak(ken) met betrekking tot bijvoorbeeld specifieke wetgeving, lokaal beleid of verordening of een specifiek thema (bijvoorbeeld aanpak illegale containers in buitengebied en het toezicht en handhaving van de groene wetgeving ) en bevat een hierop toegesneden sanctieaanpak. Bestaande voorbeelden hiervan zijn overtredingen die vallen onder het Damocles-beleid en de Drank- en Horecawetgeving. Voor overtredingen van regels met een specifieke handhavingsaanpak is deze sanctiestrategie dus niet van toepassing.

    Stappen interventie

    Casemanagement handhaving

    Bij overtredingen gaan wij na of er raakvlakken zijn voor ketenpartners of andere overheidspartijen. Als dit het geval is, informeren we die partijen en gaan we na of we gecoördineerd kunnen/moeten optreden. Als er meerdere partners betrokken zijn, blijft het casemanagement voor de aanpak van de overtreding bij de partij die de overtreding constateerde, tot we daar andere afspraken over maken.

    Bij overtredingen waar meerdere instanties of interne afdelingen op willen handhaven werken we samen bij de toepassing van de LHS. We wisselen informatie uit met elkaar over de aanpak en het vervolg. Als het efficiënt en/of effectief is, voeren wij (her)controles samen uit.

    Relatie tot (partieel) gedogen

    Als een overtreder calculerend of crimineel gedrag laat zien, werken we niet mee aan het tot stand komen van een eventuele gedoogbeschikking. We geven een eventuele gedoogbeschikking alleen af aan iemand waarvan we verwachten dat deze zich ook houdt aan de voorwaarden die in de gedoogbeschikking staan.

    We passen de LHS in 5 stappen toe:

    Stap 1 Plaats de bevinding in de interventiematrix

    Schaal de overtreding in op de interventiematrix (onderstaande figuur 1) op basis van de rapportage van bevindingen.

    Speerpunten

    Als we speerpunten hebben vastgesteld in bijvoorbeeld ons handhavingsprogramma of een specifiek handhavingsproject, scoren overtredingen hiervan in beginsel minimaal niveau 3 “van belang” in de interventiematrix.

    Overtredingen blijven voortgaan

    Bij voortduren van een overtreding schuift de score 1 stap naar rechts in de interventiematrix, bijv. van B naar C, etc. Bij voortduren van overtredingen waarvoor we een herstelmaatregel hebben opgelegd (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang), schuift de score pas naar rechts nadat de herstelsanctie is uitgewerkt en de overtreding voortduurt en/of zich herhaalt.

    Figuur 1: De interventiematrix

    Stap 2 Bepaal of sprake is van verzwarende of verzachtende aspecten

    Bepaal of er wel of geen sprake is van verzwarende of verzachtende aspecten, die we moeten betrekken bij de afweging voor een passende interventie.

    Verzwarende aspecten staan in de LHS (bijlage D) en hebben te maken met:

  • 1. Verkregen financieel voordeel (winst of besparing);

  • 2. Status verdachte/voorbeeldfunctie;

  • 3. Financiële sanctie heeft vermoedelijk geen effect;

  • 4. Combinatie met andere relevante delicten;

  • 5. Medewerking van deskundige derden;

  • 6. Normbevestiging;

  • 7. Waarheidsvinding.

  • Ga vervolgens na of er verzachtende omstandigheden zijn. Voorbeelden van verzachtende omstandigheden zijn:

  • - Vormen van strafuitsluitingsgronden (zoals overmacht) waarbij bestuursrecht voor herstel wel doorgezet moet worden maar straffen niet kan of geen zin heeft.

  • - Maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het langer in eigen omgeving blijven van oudere hulpbehoevende personen, dit geeft soms overlast voor de omgeving of onveilige situaties voor de personen zelf. Kenmerk hierbij is vaak dat de oudere hulpbehoevende persoon niet kan begrijpen wat het probleem is.

  • - Als de overtreding legaliseerbaar is.

  • Legaliseerbaar?

    Als voor de activiteit alsnog vergunning (toestemming) kan worden verleend, is de overtreding legaliseerbaar. Is dat het geval, dan stellen we de overtreder in de gelegenheid om de toestemming aan te vragen. Als de overtreder dit doet en een ontvankelijke aanvraag indient die volgens het bevoegd gezag verleend kan worden, dan is sprake van concreet zicht op legalisatie. Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is concreet zicht op legalisatie een grond om het opleggen van een bestuursrechtelijke herstelsanctie achterwege te laten. Een overtreding die legaliseerbaar is, komt al snel ergens linksonder in de sanctiematrix terecht zodat we, naast het legalisatietraject, in beginsel kunnen volstaan met het aanspreken/informeren van de overtreder.

    Toch kan er aanleiding zijn om een herstelsanctie of een bestraffende sanctie op te leggen. Vooral als een overtreder niet tijdig, dat wil zeggen binnen een termijn die wij redelijk vinden, de vereiste toestemming aanvraagt. Met een herstelsanctie voorkomen we dit gedrag. Een bestraffende sanctie komt in beeld als sprake is van calculerend gedrag of zelfs crimineel gedrag, zoals bedoeld in de LHS. We moeten voorkomen dat iemand van te voren bewust geen vergunning voor bepaalde activiteiten aanvraagt, omdat de overtreder er van uit gaat dat op het moment dat we er achter komen de activiteit alsnog kan worden gelegaliseerd zonder verdere consequenties. Zulk calculerend gedrag sanctioneren we.

    Stap 3 Bepaal of overleg tussen bestuur, politie en Openbaar Ministerie (OM) geïndiceerd is

    In deze stap besluiten we tot de inzet van bestuurs- en/of strafrecht. De samenwerking tussen bestuurs- en strafrecht moeten we in Zeeland nog verder ontwikkelen, daarom zetten we in op een groeimodel.

    Bewuste, structurele en calculerende overtredingen, die met als mogelijk gevolg van belang of aanzienlijk, dreigend en of omkeerbaar zijn (C3, C4, D3 en D4-overtredingen) melden we bij het OM en (zo mogelijk) agenderen we deze voor het nog op te richten casusoverleg tussen de ketenpartners. Met de melding aan het OM stemmen we af over de keuze om sanctionerend op te treden.

    Voor minder zware overtredingen (A4, B4, B3, C2, D2 en D1) gaan we voor Zeeland onderzoeken of we formats voor bestuurlijke boetes kunnen ontwikkelen. Afhankelijk van de ontwikkeling van de afstemming tussen bestuurs- en strafrecht maken we nadere keuzes over hoe we afstemmen met het OM. Dit kan betekenen dat ook voor lichtere overtredingen meldingen plaatsvinden of juist een bijstelling plaatsvindt naar alleen zware overtredingen.

    Gegevensuitwisseling

    Voor een goede afstemming tussen bestuurs- en strafrecht is gegevensuitwisseling nodig. Om de informatie-uitwisseling tussen bestuurs- en strafrecht mogelijk te maken en rechtmatig te laten verlopen zoeken we aansluiting bij het landelijke Convenant Gegevensuitwisseling. In dit convenant regelt de informatie-uitwisseling per regio via een casusoverleg (operationeel overleg) en een Periodiek Overleg Gegevensuitwisseling (operationeel-tactisch overleg). Het Openbaar Ministerie, de politie en de omgevingsdienst Zeeland nemen deel. Omdat dit VTH-beleid over veel meer taken gaat dan nu onder het convenant vallen, gaan we onderzoeken hoe Zeeuwse gemeenten en provincie in dit convenant betrokken kunnen worden.

    Stap 4 Optreden met de interventiematrix

    Bij het optreden met behulp van de interventiematrix zetten we het minst ingrijpende instrument in, gericht op herstel of om herhaling van de overtreding te voorkomen. Zwaardere instrumenten zetten we snel in als de overtreding voortduurt of zich herhaalt.

    Stap 5 Vastlegging

    Stappen die we doorlopen en beslissingen die we nemen registreren we eenduidig, zodat de stappen duidelijk en controleerbaar zijn. We rapporteren over iedere overtreding waar die zich bevindt in de interventiematrix en welke keuze maken voor interventie.

    5.4

    Bestuursrechtelijke sanctiemiddelen, keuzes en aanpak

    Algemeen

    Er zijn drie vormen van bestuursrechtelijke herstelsancties: de last onder dwangsom, de last onder bestuursdwang of het schorsen/intrekken van de vergunning. Wij maken per geval een keuze tussen één van deze mogelijkheden. In deze paragraaf lichten we de verschillende bestuursrechtelijke herstelmaatregelen toe en het afwegingskader om hierin van geval tot geval een onderbouwde keuze te maken. Naast bestuursrechtelijke herstelsancties kent het bestuursrecht ook de bestraffende sanctie, zoals de bestuurlijke boete.

    De keuze tussen last onder bestuursdwang en last onder dwangsom

    Als we besluiten om een bestuursrechtelijke herstelsanctie op te leggen, dan kiezen we tussen last onder dwangsom en last onder bestuursdwang. Alleen bij uitzonderlijke zeer zwaarwegende omstandigheden, in wettelijk voorgeschreven situaties of in geval van vastgestelde lokale regelgeving/beleid zetten we het intrekken/schorsen van een vergunning als herstelsanctie in. Om een goede afweging te maken tussen de last onder dwangsom en last onder bestuursdwang gebruiken wij de volgende uitgangspunten:

  • a. Last onder Dwangsom

    Met het inzetten van een last onder dwangsom bewegen we de overtreder ertoe zelf zijn overtreding of herhaling ervan ongedaan te (doen) maken. Daarom heeft de last onder dwangsom in beginsel de voorkeur boven de last onder bestuursdwang. De lasten en de verantwoordelijkheid leggen we direct bij de overtreder, wat past bij het principe ‘de overtreder betaalt’.

  • b. Last onder Bestuursdwang

    Als sprake is van bijvoorbeeld (dreigende) onomkeerbare ernstige schade of aantasting van de openbare orde, gevaar voor de volksgezondheid, de (verkeers)veiligheid en/of leefomgeving, waarbij spoedig handelen nodig is, willen we zo snel mogelijk een einde maken aan de overtreding. Omdat de last onder bestuursdwang over het algemeen sneller effect heeft dan een last onder dwangsom, kiezen wij in die omstandigheden voor de last onder bestuursdwang. Hiernaast passen we in spoedeisende gevallen vanzelfsprekend spoedeisende bestuursdwang toe.

    Bij een last onder bestuursdwang maken wij de overtreding op kosten van de overtreder ongedaan (als de overtreder dit niet zelf heeft gedaan voor het einde van de termijn (als een termijn wordt gegeven)). Soms kunnen we dit niet of zijn er teveel praktische bezwaren. Bijvoorbeeld bij boekhoudkundige overtredingen of het ingrijpen in technisch complexe processen.

    Als duidelijk is dat ook met een forse dwangsom de overtreder de overtreding niet ongedaan gaat maken, dan passen we de last onder bestuursdwang toe.

  • c. (Begunstigings)termijn11Op grond van de Awb is alleen bij een last onder dwangsom sprake van een begunstigingstermijn, bij overige handhavingsinstrumenten is sprake van een termijn.

    Als we handhaven geven we vaak een (begunstigings)termijn, tenzij er geen tijd nodig is om een einde te maken aan de overtreding of als de handhaving er alleen op is gericht om herhaling van een overtreding te voorkomen. We hoeven geen (begunstigings)termijn te geven wanneer handelen met spoed nodig is. De (begunstigings)termijn moet op het moment dat we deze geven lang genoeg zijn om aan de overtreding een einde te kunnen maken. De (begunstigings)termijn mag niet afhangen van de lengte van een eventueel voortraject. We houden rekening met de tijd die nodig is voor bijvoorbeeld het bestellen van onderdelen of materialen om de overtreding ongedaan te maken. Een te lange (begunstigings)termijn of een (begunstigings)termijn voor onbepaalde tijd komt neer op gedogen. De in deel C bijgevoegde Zeeuwse leidraad “richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen” gebruiken we als richtlijn voor begunstigingstermijnen en is niet uitputtend. In het besluit motiveren we de lengte van de begunstigingstermijn.

  • d. Keuze bij variant dwangsomoplegging en hoogte dwangsom

    Bij het opleggen van een last onder dwangsom gebruiken we de Zeeuwse leidraad als basis. In het besluit motiveren we de variant en hoogte van de dwangsom met de Zeeuwse leidraad als naslagwerk. De hoogte van de dwangsom staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de benodigde werking van de last onder dwangsom. Het moet een voldoende prikkel zijn om de overtreding te beëindigen of om herhaling te voorkomen. Om te bepalen welke prikkel effectief en evenredig is, kunnen we het eventuele financiële voordeel betrekken of de kosten van herstel van de overtreding. We kijken ook vaak alleen naar de aard en ernst van de overtreding. Tot slot beoordelen we welk gedrag de overtreder vertoont. Een calculerende overtreder heeft een forsere prikkel nodig om na te leven dan een goedwillende. De Zeeuwse leidraad “richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen”, die in deel C is opgenomen, hanteren wij als richtlijn voor een eerste inschatting van de hoogte van de dwangsom. Daarna stellen we het bedrag eventueel naar boven of naar beneden bij, afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Deze leidraad leidden we af van de landelijke leidraad, aangevuld voor de Zeeuwse situatie. De leidraad wijkt daarom af van de landelijke leidraad. In het besluit motiveren we de hoogte van de dwangsom.

  • Effectueren handhavingsbesluit

    Een handhavingsbesluit moet worden uitgevoerd. Wanneer de overtreding na de (begunstigings)termijn niet is beëindigd, dan volgt automatisch effectuering van de sanctie. Het innen van de verbeurde dwangsom(men) of de uitvoering van bestuursdwang en het kostenverhaal, is een vast onderdeel van het optreden en geen onderwerp meer van een hernieuwde bestuurlijke afweging. De standaardoverweging van de rechter voor een last onder dwangsom is:

    “bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin staat dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd en slechts in bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afzien”. Het gaat hier in andere woorden om de zogenoemde ‘’beginselplicht tot invordering’’.

    Bestraffende sancties

    Naast herstelsancties zijn er ook bestraffende sancties. Wanneer we met een bestuurlijke sanctie leed toevoegen aan de overtreder, dan is het een bestraffende sanctie. Een bestraffende sanctie heeft een speciaal preventief effect op de overtreder. We ontmoedigen de overtreder om opnieuw de overtreding te begaan. Ook heeft een bestraffende sanctie een algemeen preventief effect op andere personen en/of bedrijven. Zij worden zo ontmoedigd om de overtreding überhaupt te begaan. Een bestraffende sanctie is anders dan een herstelsanctie. Een bestraffende sanctie is niet geschikt om, zoals een herstelsanctie, concrete overtredingen te (doen) beëindigen, de gevolgen daarvan te beperken of weg te nemen en/of om herhaling van de overtredingen te (doen) voorkomen. Het opleggen van de bestraffende sanctie heeft als doel het bestraffen van de overtreder voor het begaan van de overtreding. Omdat beide soorten sancties een ander doel hebben, kunnen wij de herstelsanctie en de bestraffende sanctie naast elkaar opleggen. De bestraffende sanctie komt sneller aan de orde als de overtreding opzettelijk is begaan, of als de overtreding niet kan worden weggenomen met een herstelsanctie (onomkeerbaar). Bestraffende sancties kunnen bestuursrechtelijke of strafrechtelijke zijn. Een veel voorkomende bestuursrechtelijke bestraffende sanctie is de bestuurlijke boete.

    Bestuursrechtelijk; de bestuurlijke boete

    De bestuurlijke boete is een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom. Het bevoegde bestuursorgaan legt deze op. Het openbaar ministerie is hier niet bij betrokken.

    Strafrechtelijk; proces-verbaal of bestuurlijke strafbeschikking

    Een bestraffende sanctie in het strafrecht wordt ingeleid met het opmaken van een proces-verbaal of een bestuurlijke strafbeschikking milieu. Bij deze sanctie is altijd een opsporingsambtenaar betrokken (politie of boa) en het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie ziet toe op vervolging op basis van een opgemaakt proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

    Voor de inzet van de bestraffende interventiemiddelen: zie stap 3.

    Overtredingen van de overheid

    Voorop staat dat een overheidsinstelling zich in de rol van bouwer, exploitant etc. houdt aan de wet- en regelgeving en zelf daarin een voorbeeldfunctie vervult. Hierdoor hoeft handhaving van de eigen overheidsorganisatie niet nodig te zijn. Maar in de praktijk kunnen er toch situaties zijn waarbij een dienstonderdeel van de eigen overheidsorganisatie de regels niet volgt. Een bestuursorgaan is niet snel geneigd om bestuurlijke maatregelen tegen zichzelf te nemen. Bovendien heeft de handhaver intern een hiërarchisch ondergeschikte positie. Het is daarom belangrijk om vast te leggen hoe we handelen als de handhaver een overtreding van een voorschrift constateert bij (dienstonderdelen van) onze eigen organisatie. Wij hanteren voor de eigen dienst dezelfde strategie als voor burgers en bedrijven, waarbij we nadrukkelijk een rol zien voor ons managementteam om de overtreding te beëindigen.

    Ook is het belangrijk dat we vastleggen welke procedure we volgen wanneer een toezichthouder bij een andere overheidsinstantie een overtreding constateert. Andere overheidsinstanties benaderen wij op dezelfde manier als bedrijven en burgers, waarbij we het vanzelfsprekend vinden dat we voorafgaand aan formele acties de overtredende andere overheidsinstantie (onze collega’s/partners) informeren over de overtreding. Dit alles met als doel een snelle beëindiging van de overtreding.

    Handhaven bij gedoogsituaties

    Het niet naleven van gedoogvoorwaarden zelf kunnen we niet zien als overtreding van een wettelijk voorschrift. We kunnen dus niet tegen de niet-naleving van de gedoogvoorwaarden optreden met een herstelsanctie. We zijn namelijk alleen bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie als reactie op de overtreding van wettelijke voorschriften. In dat geval trekken we de gedoogbeschikking in en handhaven we op de onderliggende overtreding.

    6.0

    Gedoogstrategie6.1

    Inleiding

    We hebben een beginselplicht tot handhaven. Dit betekent dat we op iedere overtreding die we zien moeten reageren met een passende interventie volgens de sanctiestrategie. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zien we af van handhaving. Dat staat los van eventueel strafrechtelijk optreden. In de gedoogstrategie staat in welke situaties en onder welke condities we tijdelijk niet handhaven.

    Definitie van gedogen:

    “Het bestuur dat bevoegd is tot handhaving ziet bewust (tijdelijk) af van optreden tegen een overtreding.”

    6.2

    Integrale beoordeling om te gedogen

    We kijken bij het toepassen van de gedoogstrategie altijd als eerste stap of er samenloop is met andere regelgeving en of het gedogen niet in strijd is met andere wet- en regelgeving. We letten daarbij op eigen regels maar ook op die van andere overheden. Dit sluit aan bij integraal werken, zoals dit ook in deel A en de vergunningenstrategie staat.

    We volgen de vaste jurisprudentie over gedogen van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

    “Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in de concrete situatie behoort te worden afgezien”.12ABRvS 7 juli 2004, zaaknr. 200306199/1

    We gebruiken ook de regeringsnota’s “Grenzen aan gedogen” als kader.13Bestaande uit de 'eerste gedoogbrief' van de ministers VROM en Verkeer en Waterstaat van 28 mei 1990, TK 1989-1990, 21 137, nr. 269, de 'tweede gedoogbrief' van de ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat van 10 oktober 1991, onder de titel 'Gezamenlijk beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieu-overtredingen', TK 1991-1992, 22 343, nr. 2 en de kabinetsnota 'Grenzen aan gedogen', TK 1996-1997, 25 085, nrs. 1-2.

    Gedogen passen we alleen in uitzonderlijke en/of spoedeisende situaties toe. We gedogen alleen ‘actief’ dit betekent dat we er een besluit over nemen. Onze uitgangspunten voor gedogen zijn:

  • We handhaven bij overtredingen, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden en/of overgangssituaties zijn.

  • Gedogen blijft zoveel mogelijk beperkt in omvang en tijd;

  • We gedogen expliciet, op schriftelijk verzoek van de overtreder en na een zorgvuldige en kenbare belangenafweging;

  • Het gedogen tast belangen van derden niet in onredelijke mate aan;

  • De activiteit is na de periode van gedogen vergund of gestopt.

  • Een gedoogbeschikking is geen besluit , en ook de weigering of intrekking van een gedoogbeschikking niet. Een gedoogbeschikking kan dan ook niet worden aangevochten bij de bestuursrechter. Dit laat onverlet dat anderen in zo’n geval wel om handhaving kunnen verzoeken. Op dergelijke verzoeken moeten we reageren.

    We kunnen gedogen bij overgang- en overmacht situaties.

    Overgangssituaties zijn:

  • overtredingen met concreet zicht op legalisatie;

  • bedrijfsverplaatsingen;

  • experimenten en andere tijdelijke overtredingen;

  • situaties met overtredingen door omstandigheden die buiten de macht van de overtreder liggen of een nieuwe vergunning niet aansluitend op de oude vergunning geldt;

  • gevallen waarin de rechter de vergunning vernietigt, terwijl vergunnen wel mogelijk lijkt;

  • als de overtreder voorschriften om technische redenen niet kan naleven en die voorschriften binnenkort worden aangepast;

  • situaties waarbij de overtreding ophoudt te bestaan door versoepeling van regels.

  • Overmacht situaties zijn:

  • situaties waarin de overtreding was toegestaan, dan is volgens artikel 5:5 Awb14Artikel 5:5 AwbHet bestuursorgaan legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond. handhaving niet toegestaan. We moeten dan gedogen;

  • situaties waarin het belang waar de regel voor is gemaakt beter af is als we gedogen;

  • gevallen waarin handhaven onevenredig zwaar is in verhouding tot het belang dat we met handhaving beschermen.

  • We gedogen niet:

  • als het gedrag van de overtreder recidiverend of calculerend is;

  • bij activiteiten die vallen onder ondermijnen;

  • als de te gedogen activiteit in strijd is met een andere regel en het bevoegde gezag voor de handhaving van die regel laat weten dat het bestuursrechtelijk handhaaft of gaat handhaven.

  • Een afschrift van de gedoogbeschikking sturen we naar:

  • het Openbaar Ministerie;

  • de Politie;

  • eventuele andere betrokken instanties.

  • We houden actief toezicht op gedoogsituaties. We kijken of het gedogen nog actueel is en of de vergunninghouder de opgelegde beperkingen en voorwaarden naleeft.

    Bijlage 1:

    VTH partners

    Gemeente Veere

    Gemeente Vlissingen

    Gemeente Middelburg

    Gemeente Schouwen Duiveland

    Gemeente Tholen

    Gemeente Noord Beveland

    Gemeente Goes

    Gemeente Borsele

    Gemeente Reimerwaal

    Gemeente Kapelle

    Gemeente Terneuzen

    Gemeente Hulst

    Gemeente Sluis

    Provincie Zeeland

    Waterschap Scheldestromen

    Openbaar Ministerie

    Politie

    RUD Zeeland

    DCMR

    Veiligheidsregio Zeeland

    GGD

    Rijkswaterstaat

    Deel C: Beleidsregels/Richtlijnen en convenantenToelichting

    In dit deel C van de nota VTH Beleid Zeeland worden de gezamenlijke beleidsregels, richtlijnen of convenanten opgenomen.

    De eerste gezamenlijk richtlijn is Zeeuwse leidraad “richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen”.

    Van belang is om de nader toelichting goed te lezen.

    Daarnaast kunnen de lokale beleidsregels en of richtlijnen ( colour locale) opgenomen worden die betrekking hebben op de nota VTH Beleid Zeeland.

    Zeeuwse leidraad “richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen”1.

    Toelichting

    Wanneer een last onder dwangsom wordt aangewend als handhavingsinstrument teneinde een overtreding te beëindigen, dient over zowel de lengte van de begunstigingstermijn als over de hoogte van de dwangsom een afweging te worden gemaakt. In de Zeeuwse leidraad is hiervoor een tabel gemaakt welke als richtlijn gebruikt kan worden bij deze afweging.

    Begunstigingstermijn (5:32a Awb)

  • 1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

  • 2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

  • Hoogte dwangsom (artikel 5:32b Awb)

  • 1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

  • 2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

  • 3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

  • Nadere toelichting tabel

    Om zoveel mogelijk consistent en stelselmatig te werken stellen we in de tabel voor veel voorkomende overtredingen op voorhand bedragen en termijnen. De tabel dient nadrukkelijk als richtlijn. In de tabel staan enkele overtredingen vermeld, waarbij spoedeisend optreden met bestuursdwang vaak de aangewezen weg zal zijn. Dit, omdat het voort laten bestaan van de overtreding doorlopende en/of onomkeerbare nadelige effecten voor het milieu met zich meebrengt, waarbij spoedshalve optreden vereist is. De opname van de overtreding in de tabel heeft plaatsgevonden voor als er omstandigheden zijn, waardoor toch niet gekozen wordt of behoeft te worden voor spoedeisend optreden met bestuursdwang. De keuze voor het in te zetten instrument (last onder dwangsom of bestuursdwang) ligt bij het bestuursorgaan. De tabel is enkel van toepassing na de keuze voor het instrument last onder dwangsom.

    Voor de termijn geldt in ieder geval dat die redelijk moet zijn. Dat wil zeggen dat redelijkerwijs binnen de gestelde termijn aan de last moet kunnen zijn voldaan. De hoogte van de dwangsom moet hiernaast in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. In de praktijk betekent dit onder meer dat de dwangsom voldoende prikkel moet geven om de last uit te voeren. Zo zal de ernst van de ene overtreding in het concrete geval toch anders kunnen worden gewogen dan een andere overtreding, terwijl die wel onder dezelfde categorie in deze tabel valt. Het kan ook zijn dat voor bijvoorbeeld vermogende bedrijven de uitkomst van de hoogte van de dwangsom anders moet zijn dan voor een kleine zelfstandige in verband met de beoogde werking van de dwangsom (prikkel). De termijnen en bedragen in de richtlijn dienen daarom als gemiddelden te worden beschouwd.

    2.

    Tabel termijnen en bedragen

    Overtreding

    Begunstigingstermijn

    Hoogte dwangsom

    Per overtreding per tijdseenheid

    Maximum

    Omgevingsverordening Zeeland

    Overtreding Omgevingsverordening Zeeland

    twee weken

    € 250

    per week

    € 1.250

    Zonder of in afwijking van vergunning/melding

    Inrichting in werking zonder of in afwijking van vergunning

    één maand

    € 1.500

    per week

    € 7.500

    Melden nieuwe inrichting

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Veranderen (activiteiten) inrichting

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Afvalstoffen milieu inrichting

    Afvalstoffen niet op correcte wijze afvoeren

    één maand

    € 2.000

    per keer

    € 10.000

    Afvalstoffen niet tijdig afvoeren

    één maand

    € 1.000

    per keer

    € 5.000

    Aanwezigheid (zwerf)afval in inrichting en/of afval in de nabije omgeving afkomstig van de inrichting

    twee weken

    € 500

    per week

    € 2.500

    Verbranden (schoon) afval binnen de inrichting

    per direct

    € 750

    per keer

    € 3.750

    Verbranden (vuil) afval binnen de inrichting

    per direct

    € 1.250

    per keer

    € 6.250

    Bodem

    Ontbreken onderzoek naar de bodemkwaliteit oprichten inrichting

    drie maanden

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Ontbreken onderzoek naar de bodemkwaliteit beëindiging inrichting

    drie maanden

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Stoffen in bodem brengen vervuilend, spoed vereist

    één week

    € 2.500

    per keer

    € 12.500

    Stoffen in bodem brengen niet of nauwelijks vervuilend, niet spoedeisend

    één maand

    € 1.500

    per keer

    € 7.500

    Lekbak niet tegen inregenen beschermd

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Lekbak ledigen en schoonmaken en regelmatig controleren

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Lekbak heeft onvoldoende opvangcapaciteit

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Lekbak of vloer niet bestand tegen chemische inwerking van stof

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Afscheider

    Olieafscheider niet aanwezig of niet aanwezig conform geldende NEN-norm

    drie maanden

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Oliefafscheider niet gebruikt conform geldende NEN-norm

    twee maanden

    € 1.250

    per week

    € 6.250

    Vetafscheider niet aanwezig of niet aanwezig conform geldende NEN-norm

    drie maanden

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Vetafscheider niet gebruikt conform geldende NEN-norm

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Tanks

    Geen financiële zekerheid voor ondergrondse tank

    één maand

    € 2.000

    per week

    € 10.000

    Tank niet geïnstalleerd conform de geldende BRL

    twee maanden

    € 1.000

    per maand

    € 5.000

    Tank niet boven lekbak

    twee maanden

    € 1.000

    per maand

    € 5.000

    Tank niet beschermd tegen mechanische beschadiging

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Lekdetectiepotsysteem bevat geen vloeistof meer

    één maand

    € 1.500

    per week

    € 7.500

    Geen jaarlijkse controle lekdetectie

    één maand

    € 750

    per week

    € 3.750

    Geen jaarlijkse controle op aanwezigheid bij water bij stalen tank

    twee maanden

    € 750

    per week

    € 3.750

    Roestvorming bovengrondse dubbelwandige dieseltank

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Ontbreken brandblusser bij dieselolietank

    twee weken

    € 500

    per week

    € 2.500

    Inpandige opslag bovengrondse tank bord roken en vuur verboden ontbreekt

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    beluchting en ontluchting tank niet met een rechtstreekse verbinding of verbindingsleiding met de buitenlucht

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Niet jaarlijks leegmaken opslagtank voor afgewerkte olie

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Keuring tank niet (op tijd) uitgevoerd

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Mobiele tank

    Brandblusser ontbreekt bij mobiele tank

    twee weken

    € 500

    per week

    € 2.500

    Installatieboek mobiele tank ontbreekt

    één maand

    € 250

    per week

    € 1.250

    Geen 2,5 jaarlijkse visuele controle

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Geen visuele inspectie bij verplaatsing mobiele dieselolietank

    één maand

    € 750

    per week

    € 3.750

    Vloeistofdichte vloer

    Geen vloeistofdichte vloer, wel vereist

    drie maanden

    € 2.500

    per maand

    € 12.500

    Vloer niet gekeurd als vloeistofdicht / vloer niet gekeurd door erkende instelling als vloeistofdicht

    twee maanden

    € 1.500

    per maand

    € 7.500

    Geen 6-jaarlijkse keuring vloeistofdichte vloer wasplaats of tankplaats

    twee maanden

    € 1.250

    per week

    € 6.250

    Geen jaarlijkse controle vloeistofdichte vloer wasplaats of tankplaats

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Vloeistofkerende vloer

    Geen bedrijfsinterne procedures inzake de vloeistofkerende vloer

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Morsingen en lekkages niet opgeruimd

    één maand

    € 250

    per week

    € 1.250

    Ontbreken absorptiemateriaal i.h.k.v. werkinstructies

    één maand

    € 250

    per week

    € 1.250

    Ontbreken registratie visuele controle

    één maand

    € 250

    per week

    € 1.250

    Afleveren brandstof

    Vastzetten vulpistolen

    één week

    € 500

    per week

    € 2.500

    Noodknop ontbreekt

    één week

    € 1.000

    per maand

    € 5.000

    Noodplan ontbreekt

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 2.500

    Geen brandblustoestel aanwezig / niet voldoende brandblustoestellen aanwezig

    twee weken

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Brandblustoestel niet tijdig gekeurd

    twee weken

    € 750

    per week

    € 3.750

    Pictogram of gevarensymbool ontbreekt

    twee weken

    € 250

    per week

    € 1.250

    Temperatuurgevoelig element niet gecontroleerd

    twee maanden

    € 500

    per week

    € 2.500

    Opslag gasflessen

    Niet goedgekeurde gasfles of gasfles niet voorzien van geldige keuringsdatum

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Opslagvoorziening gasflessen niet voorzien van waarschuwingsborden

    twee weken

    € 250

    per week

    € 1.250

    Het ontbreken van veiligheidsinformatiebladen

    één maand

    € 250

    per week

    € 1.250

    Opslagvoorziening niet voorzien van 'roken en open vuur verboden'

    twee weken

    € 250

    per week

    € 1.250

    Brandblusser ontbreekt

    twee weken

    € 750

    per week

    € 3.750

    Gasflessen niet vastgezet

    twee weken

    € 500

    per week

    € 2.500

    Opslag gasflessen niet WBDBO

    twee maanden

    € 1.500

    per maand

    € 7.500

    Opslag gevaarlijke stoffen

    Opslag gevaarlijke stoffen niet voorzien van waarschuwingsborden

    twee weken

    € 250

    per week

    € 1.250

    Opslagvoorziening niet voorzien van 'roken en open vuur verboden'

    twee weken

    € 250

    per week

    € 1.250

    Brandveiligheidskast voldoet niet aan geldende NEN-normen

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Aftap- en overtapwerkzaamheden in opslagvoorziening

    één maand

    € 750

    per week

    € 3.750

    Opslagvoorziening niet WBDBO

    twee maanden

    € 1.500

    per maand

    € 7.500

    Vloeibare gevaarlijke/bodembedreigende stoffen niet op of boven bodembeschermende voorziening opgeslagen

    één maand

    € 750

    per week

    € 3.750

    (Gebruikte) accu's niet op of boven bodembeschermende voorzien opgeslagen

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Propaantank

    Propaantank inclusief gasleidingen niet gekeurd / niet goed gekeurd

    twee maanden

    € 1.000

    per maand

    € 5.000

    Geen aanrijdbeveiliging propaantank

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Gasleidingen zodanig aangelegd dat deze onderhevig zijn aan temperatuurverschillen

    twee maanden

    € 1.500

    per maand

    € 7.500

    Ontbreken brandblusser bij propaantank

    twee weken

    € 750

    per ontbrekende brandblusser per keer

    € 3.750

    Geen doelmatige constructie propaantank

    twee maanden

    € 1.500

    per maand

    € 7.500

    Ontbreken installatieboek propaantank

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Propaantank niet beschermend tegen vallende voorwerpen

    één maand

    € 750

    per week

    € 3.750

    Propaantank beperkt toegankelijk

    twee maanden

    € 1.500

    per maand

    € 7.500

    Energie

    Niet nemen erkende maatregelen

    twee maanden

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Niet voldoen aan informatieplicht

    één maand

    €1.000

    per week

    € 5.000

    Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen

    Opslag agrarische bedrijfsstoffen binnen 5 meter van insteek van oppervlaktewaterlichaam

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Opslag agrarische bedrijfsstoffen niet zodanig dat contact met hemelwater wordt voorkomen

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Niet opvangen vloeistoffen afkomstig van opslag van agrarische bedrijfsstoffen

    twee maanden

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Agrarische bedrijfsstoffen opgeslagen op onverhard oppervlak zonder absorberende laag

    twee maanden

    € 1.500

    per week

    € 7.500

    Opslag agrarische bedrijfsstoffen langer dan half jaar niet opgeslagen boven ten minste vloeistofkerende voorziening

    twee maanden

    € 1.500

    per week

    € 7.500

    Mestbassin (paragraaf Opslaan van drijfmest en digestaat)

    Afrastering mestbassin voldoet niet

    drie maanden

    € 1.000

    per maand

    € 5.000

    Geen rapport van goedkeuring van het mestbassin aanwezig

    twee maanden

    € 750

    per week

    € 3.750

    Vul- en zuigpunt mestbassin niet boven lekbak

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Lucht

    Geen controle koelinstallatie o.g.v. f-gassen verordening

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Geen controle koelinstallatie o.g.v. Verordening ozonlaag afbrekende stoffen

    één maand

    € 1.000

    per week

    € 5.000

    Ontbreken logboek koelinstallatie f-gassen verordening

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Ontbreken logboek koelinstallatie verordening ozonlaag afbrekende stoffen

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Niet-gasgestookte stookinstallatie niet gekeurd

    twee maanden

    € 750

    per week

    € 3.750

    Gasgestookte stookinstallatie niet gekeurd

    twee maanden

    € 750

    per week

    € 3.750

    VOS-registratie ontbreekt

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Ontbreken houtmotafzuiging

    twee maanden

    € 1.000

    per maand

    € 5.000

    Overschrijding emissie-eisen

    één maand

    € 3.000

    per week

    € 15.000

    Onderzoek emmissiebeperkingen niet uitgevoerd

    één maand

    € 1.750

    per week

    € 8.750

    Voorschriften geurhinder niet naleven / geuroverlast veroorzaken; uitmonding / ontgeuringsinstallatie

    drie maanden

    € 2000

    per week

    € 10.000

    Overige geurhinder afkomstig van een inrichting

    één maand

    € 1.500

    per week

    € 7.500

    Stofoverlast veroorzaken (o.a. door ontbreken stoffilter)

    twee maanden

    € 500

    per week

    € 2.500

    Ontbreken filter installatie

    twee maanden

    € 1.750

    per week

    € 8.750

    Ontbreken dampretour stage II

    twee maanden

    € 1.500

    per week

    € 7.500

    Geluid

    Overschrijding geluidsnormen (incidenteel, eenvoudig te voorkomen)

    één week

    € 1.000

    per overtreding

    € 5.000

    Overschrijding geluidsnormen (structureel, eenvoudig te voorkomen)

    één week

    € 1.500

    per overtreding

    € 7.500

    Overschrijding geluidsnormen, nadere voorzieningen vereist ter voorkoming overlast

    twee maanden

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Niet voldoen aan voorschriften met betrekking tot trilling

    twee maanden

    € 1.500

    per week

    € 7.500

    Geluidsoverlast, door inrichting in werking buiten vergunde uren

    één dag

    € 1.000

    per dag

    € 5.000

    Overtreding maatwerkvoorschrift m.b.t. geluid

    situationeel

    € 1.000

    situationeel

    € 5.000

    Ruimtelijke inrichting en bouw

    Illegale steiger aangebracht

    één maand

    € 500

    per week

    € 2.500

    Illegale bouw: Bedrijfsgebouwen < € 100.000

    één maand

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Illegale bouw: Bedrijfsgebouwen € 100.000 - 1.000.000

    twee maanden

    € 5.000

    per maand

    € 25.000

    Illegale bouw: Bedrijfsgebouwen > € 1000.000

    drie maanden

    € 10.000

    per maand

    € 50.000

    Illegale bouw: Woningen <

    € 100.000

    één maand

    € 1.500

    per maand

    € 7.500

    Illegale bouw: Woningen

    € 100.000 - 1.000.000

    twee maanden

    € 3.000

    per maand

    € 15.000

    Illegale bouw: Woningen >

    € 1.000.000

    drie maanden

    € 6.000

    per maand

    € 30.000

    Illegale bouw: bouwwerk of gebouw van proportionele omvang zoals bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerk

    één maand

    € 1.250

    per maand

    € 6.250

    Reclamebord (in het geval van groot oppervlakte of erg in het oog springend wordt het bedrag verdubbeld)

    één week

    € 500

    per week

    € 2.500

    Illegale bouw: dakkapel, schutting, overig

    één maand

    € 750

    per week

    € 3.750

    Bouwwerk voldoet niet aan Bouwbesluit; kleine eenmalig ongedaan te maken overtreding

    twee weken

    € 1.000

    per maand

    € 5.000

    Bouwwerk voldoet niet aan Bouwbesluit; grotere eenmalig ongedaan te maken overtreding

    één maand

    € 2.000

    per maand

    € 10.000

    Bouwwerk voldoet niet aan Bouwbesluit; zeer grote eenmalig ongedaan te maken overtreding

    één maand

    € 5.000

    per maand

    € 25.000

    Illegaal terras of terras buiten terrasgrenzen

    enkele dagen

    € 200

    per dag

    € 1.000

    Illegale standplaats

    enkele dagen

    € 500

    per dag

    € 2.500

    Illegale uitstalling bij winkel

    enkele dagen

    € 200

    per dag

    € 1.000

    Niet voldoen aan voorschriften voor het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden

    Direct tot enkele dagen

    € 2.000

    per dag of per halve dag

    € 10.000

    Illegaal gebruik

    Illegale bewoning (bij)gebouwen

    2 maanden

    € 25.000

    ineens

    Overig Illegaal gebruik

    2 maanden

    € 25.000

    ineens

    Permanente bewoning recreatiewoningen

    2 maanden

    € 25.000

    ineens

    Groene wetgeving

    Na illegaal kappen niet voldoen aan herplantplicht (tot 5 bomen)

    1 week

    €750

    per week

    € 3.750

    Na illegaal kappen niet voldoen aan herplantplicht (5 of meer bomen)

    één week

    €1.500

    per week

    € 7.500

    Medewerking toezichthouder

    Geen medewerking verlenen aan toezichthouder (5:20 Awb)

    Situationeel

    €2.500

    per week

    € 12.500

    Brandveiligheid

    Handelen zonder gebruiksmelding voor brandveilig gebruik of in afwijking van opgelegde nadere voorwaarden

    één maand

    € 10.000

    per week

    € 50.000

    Handelen zonder vergunning voor brandveilig gebruik of in afwijking van voorschriften van vergunning

    één maand

    € 15.000

    per week

    € 75.000

    Een vluchtroute is niet aanwezig of voldoet niet

    één maand

    € 10.000

    per week

    € 50.000

    Een vluchtroute aanduiding is niet aanwezig of voldoet niet

    één week

    € 250

    per dag

    € 1.250

    Een deur in een vluchtroute voldoet niet

    één week

    € 500

    per dag

    € 2.500

    Een (gecombineerde) brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie ontbreekt of werkt niet

    één maand

    € 15.000

    per week

    € 75.000

    Een (gecombineerde) brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie is niet gecertificeerd

    één maand

    € 5.000

    per week

    € 25.000

    Een (gecombineerde) brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie wordt niet goed onderhouden, beheerd, en gecontroleerd

    één week

    € 2.500

    per week

    € 12.500

    Een rookmelder ontbreekt of voldoet niet

    één week

    € 250

    per dag

    € 1.250

    Een ontruimingsplan voor een ontruimingsinstallatie ontbreekt of voldoet niet

    één maand

    € 2.500

    per week

    € 12.500

    Een gecombineerde brandmeldinstallatie en ontruimingsalarminstallatie geeft steeds onterechte doormeldingen aan hulpdiensten en het RAC

    één maand

    € 2.500

    per overtreding

    € 12.500

    Een blustoestel ontbreekt of werkt niet of is niet juist aangeduid

    één week

    € 250

    per dag

    € 1.250

    Een blustoestel wordt niet goed onderhouden beheerd of gecontroleerd

    één week

    € 250

    per dag

    € 1.250

    Een bluswatervoorziening ontbreekt of werkt niet

    één maand

    € 10.000

    per week

    € 50.000

    De verbindingsweg/toegangsweg tot de ingang van een bouwwerk is niet of niet voldoende bereikbaar voor hulpdiensten

    twee maanden

    € 10.000

    per maand

    € 50.000

    Een brandslanghaspel ontbreekt of werkt niet

    één week

    € 250

    per dag

    € 1.250

    Een droge blusleiding ontbreekt of werkt niet

    één maand

    € 10.000

    per week

    € 50.000

    Restrisico

    Het op enige manier doen of nalaten van handelingen waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt of bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt

    Situationeel

    Afhankelijk van omvang overtreding richtbedrag tussen de € 250,-- en 1.000,--

    Situationeel

    5 x hoogte dwangsom

    Plaatselijke regelgeving (APV etc).

    Zich herhalende overtredingen van beperkte omvang, zoals winkeluitstallingen in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening.

    één week

    € 500

    per dag

    € 2.500

    Zich herhalende overtredingen van aanzienlijke omvang, zoals veroorzaken overlast door geluid / stank / stof voorschriften evenementenvergunning niet naleven / overtreding winkeltijdenwet

    één week

    € 2.000

    per dag

    € 10.000

    Vastgesteld door het college op 15 juni 2021

    Klik hier om dit bericht bij de officiële instantie te lezen.


    Laatste 5 bekendmakingen in de gemeente Borsele:

    DatumBetreftOnderwerp
    26-08-2026's-GravenpolderVerlening ontwerp omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteit voor de activiteiten op het gehele terrein inclusief uitbreiding, Baarlandsezandweg 5 in 's-Gravenpolder

    26-08-2026NieuwdorpAanvraag vergunning voor het plaatsen van twee procestanks aan Spanjeweg 2 in Nieuwdorp

    19-08-2026NieuwdorpKennisgeving toestemming om een vergunning voor de installatie van een nieuwe gelaste platenwarmtewisselaar aan de Luxemburgweg 1 te Nieuwdorp

    12-08-2026NieuwdorpBesluit maatwerkvoorschriften, maatwerkvoorschriften, een ontheffing voor werkzaamheden buiten reguliere werktijden met mogelijk geluidsoverlast, Luxemburgweg 5, 4455 TM te Nieuwdorp [Zaaknummer Z2026-MV01]

    12-08-2026Gem. BorseleVerleende reguliere omgevingsvergunning voor Gasunie Transport Services B.V.

      Disclamer: De informatie op deze pagina wordt geleverd door het open data project van de Nederlandse overheid. Het doel van dit project is om zoveel mogelijk publieke informatie te ontsluiten. Drimble is afhankelijk voor de correctheid van deze informatie van derde partijen. De informatie op deze pagina kan daarom gedateerd of inmiddels ongeldig zijn. Raadpleeg daarom altijd de lokale overheidsinstantie bij toepassing van de gegevens.

        Dagelijkse Nieuwsbrief

        Mis geen enkel belangrijk nieuwsbericht

        Ontvan elke ochtend het belangrijkste nieuws uit jouw regio en heel Nederland. Gratis en dagelijks in je inbox.

        Door je aan te melden ga je akkoord met onze privacyverklaring. Je kunt je altijd uitschrijven.

        Slim investeren in de toekomst van AI?

        Ontdek de mogelijkheden van AI-gedreven beleggingen. Tot 9,5% rente op obligaties.

        Meer informatie →