APV Bergen 2019 (Gemeente Bergen (L))
Verordeningen en reglementen gepubliceerd door de Gemeente Bergen (L) op 25 december 2020
Algemene gegevens:
| Onderwerp: | APV Bergen 2019 (Gemeente Bergen (L)) |
| Instantie: | Gemeente Bergen (L) |
| Regio: | Regio Venray |
| Uitgegeven: | 25 december 2020 |
| Code: | gmb-2020-347182 |
Juridische gegevens
| Type: | Verordeningen en reglementen |
Inhoud Verordeningen en reglementen:
Bron: GEMEENTEBLAD | Officiële uitgave van de gemeente Bergen (L)
Algemene plaatselijke verordening Bergen (L) 2019
De raad van de gemeente Bergen,Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 september 2019,
Gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet;
besluit:
vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening Bergen (L) 2019
Hoofdstuk 1Algemene bepalingen
Artikel 1:1
Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
Artikel 1:2
Beslistermijn 1
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3Het bepaalde in het eerste en tweede lid, geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn vastgesteld.
4In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, derde lid of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4.11.
Artikel 1:3
Indiening aanvraag
(Vervallen)
Artikel 1:4
Voorschriften en beperkingen 1
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5
Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
Artikel 1:7
Termijnen 1
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8
Weigeringsgronden 1
Een vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 1:9
(Vervallen)
Artikel 1:10
(Vervallen)
Hoofdstuk 2Openbare ordeAfdeling 1
Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1
Samenscholing en ongeregeldheden 1
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden;
2Degene die op een openbare plaats
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
5Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Afdeling 2Betoging
Artikel 2:2
(Vervallen)
Artikel 2:3
Kennisgeving betoging op openbare plaatsen 1
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2De kennisgeving bevat:
Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4
(Vervallen)
Artikel 2:5
(Vervallen)
Afdeling 3Verspreiding van gedrukte stukken
Artikel 2:6
(Vervallen)
Afdeling 4Vertoningen op de weg
Artikel 2:7
(Vervallen)
Artikel 2:8
(Vervallen)
Artikel 2:9
(Vervallen)
Afdeling 5Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10
Voorwerpen op of aan de weg 1
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
3Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
4De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5Het verbod is niet van toepassing op:
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Limburg.
Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3Het verbod niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
4Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Limburg, de Keur waterschap Limburg 2019, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Bergen.
5Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positief fictieve beschikking) bij niet tijdig beslissen van toepassing.
Artikel 2:12
Maken, veranderen van een uitweg 1
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:
Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als:
Op het verbod is het Beleidskader uitwegen van toepassing.
4De uitweg kan worden aangelegd als niet binnen zes weken na ontvangst van de melding is beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
5Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Limburg 2019 of de Omgevingsverordening Limburg.
Artikel 2:12a
Verbod opsporen explosieven, wapens, of oudheidkundige voorwerpen 1
Het is voor anderen dan de Explosievenopruimingsdienst (EOD) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats, een mijndetector, metaaldetector, of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van explosieven, wapens of oudheidkundige voorwerpen, bij zich te hebben.
2Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Afdeling 6Veiligheid op de weg
Artikel 2:13
(Vervallen)
Artikel 2:14
Winkelwagentjes 1
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze:
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3Het eerste lid aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:15
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16
(Vervallen)
Artikel 2:17
(Vervallen)
Artikel 2:18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
3Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19
(Vervallen)
Artikel 2:20
(Vervallen)
Artikel 2:20a
(Vervallen)
Artikel 2:21
Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 2:22
(Vervallen)
Artikel 2:23
(Vervallen)
Afdeling 7Evenementen
Artikel 2:24
Definities 1
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
Onder evenement wordt mede verstaan:
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:
Artikel 2:25
Evenement 1
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als
De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
4Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto artikel 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
5Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s.
6Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of aanvrager van de vergunning van slechts levensgedrag is,
7Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26
Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:26a
(Vervallen)
Afdeling 8.Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27
Definities 1
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan: een hotel, restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
2Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Artikel 2:28
Exploitatie openbare inrichting 1
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2De houder van een openbare inrichting mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.
3De burgemeester weigert de vergunning als:
De vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob).
5In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
6Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.
Artikel 2:28a
Intrekken vergunning 1
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd gezag de vergunning intrekken indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
2Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau Bibob door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob worden gevraagd.
Artikel 2:29
Sluitingstijd1
Voor een openbare inrichting gelden geen verplichte sluitingstijden, uitgezonderd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid. Voor dergelijke openbare inrichtingen en bijbehorende terrassen gelden dezelfde sluitingstijden als voor de hoofdactiviteit waarvan zij deel uitmaken.
2In afwijking van het eerste lid geldt voor een openbare inrichting die wordt geëxploiteerd in het kader van een seksinrichting, de sluitingstijd zoals deze geldt voor de seksinrichting.
3In afwijking van het eerste lid is het de houder van een paracommerciële instelling verboden dit horecabedrijf van 2.00 uur tot 7.00 uur voor publiek geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven.
4Het is verboden een terras in de nacht van zondag tot en met donderdag van 1.00 uur tot 8.00 uur en in de nacht van vrijdag en zaterdag en de dag voor een feestdag van 2.00 uur tot 8.00 uur voor het publiek geopend te hebben of bezoekers op het terras te laten verblijven.
5In afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid, kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift (andere) sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras.
6Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
7Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk (andere) sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31
Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
Artikel 2:32
(Vervallen)
Artikel 2:33
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34
(Vervallen)
Afdeling 8aBijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet
Artikel 2:34a
schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 2 uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoonen beëindigen op:
Voor zover er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid verenigings- of wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen tijdens het laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in dat lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden genoemd in dat lid, alcoholhoudende drank te verstrekken tot 2 uur na beëindiging van deze activiteiten.
3Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 2 uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.
Artikel 2:34b
bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.
Afdeling 9Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35
Definitie
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36
Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37
Nachtregister
De exploitant of feitelijk leidinggevende van een inrichting is verplicht
Artikel 2:38
Verschaffing gegevens nachtregister 1
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid de gegevens te verstrekken die volgens het door de burgemeester vastgestelde model in het nachtregister aanwezig dienen te zijn.
2Degene die een inrichting exploiteert of daaraan feitelijk leiding geeft is verplicht om, na daartoe strekkend verzoek van de burgemeester of een door hem aangewezen persoon, onverwijld volledige inzage te verlenen in het nachtregister.
3Degene die een inrichting exploiteert of daaraan feitelijk leiding geeft is verplicht de gegevens als bedoeld in artikel 2:37, derde lid, na daartoe strekkend verzoek van de burgemeester of een door hem aangewezen persoon per omgaande aan te leveren.
Afdeling 10Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:39
(Vervallen)
Artikel 2:40
Kansspelautomaten 1
In dit artikel wordt verstaan onder:
In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.
3In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 11Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:41
Betreden gesloten woning of lokaal 1
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42
Plakken en kladden 1
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op dienst eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
5Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
6Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
7Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43
(Vervallen)
Artikel 2:44
Vervoer inbrekerswerktuigen 1
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45
(Vervallen)
Artikel 2:46
(Vervallen)
Artikel 2:47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1
Het is verboden op een openbare plaats:
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis, of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:47a
Gebruik lachgas
Het is verboden in het openbaar gebied lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Artikel 2:48
Verboden drankgebruik 1
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden binnen de bebouwde kom alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2Het verbod is niet van toepassing op:
Artikel 2:49
Verboden gedrag bij of in gebouwen 1
Het is verboden zich zonder redelijk doel:
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50
Hinderlijk gedrag in het voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:51
(Vervallen)
Artikel 2:52
(Vervallen)
Artikel 2:53
(Vervallen)
Artikel 2:54
(Vervallen)
Artikel 2:55
(Vervallen)
Artikel 2:56
(Vervallen)
Artikel 2:57
Loslopende honden 1
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
Het eerste lid aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden 1
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. De eigenaar of houder is verplicht een deugdelijk opruimmiddel, waaronder in ieder geval wordt verstaan een zakje, schepje of grijpertje, bij zich te hebben, geschikt voor het opruimen van uitwerpselen.
2Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
4Degene die zich met de hond op een openbare plaats begeeft is verplicht het opruimmiddel als bedoeld in het eerste lid op verzoek te laten zien aan de toezichthoudende ambtenaar of bijzonder opsporingsambtenaar.
Artikel 2:59
Gevaarlijke honden 1
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a
Gevaarlijke honden op eigen terrein 1
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
Artikel 2:60
Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:61
(Vervallen)
Artikel 2:62
Loslopend vee
De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63
(Vervallen)
Artikel 2:64
(Vervallen)
Artikel 2:65
(Vervallen)
Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederenArtikel 2:66
(Vervallen)
Artikel 2:67
(Vervallen)
Artikel 2:68
(Vervallen)
Artikel 2:69
(Vervallen)
Artikel 2:70
(Vervallen)
Afdeling 13Vuurwerk
Artikel 2:71
Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:72
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen1
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
2Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3De verboden bedoeld zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 14Drugsoverlast
Artikel 2:74
Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Afdeling 15Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:75
Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 of 2:73 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76
Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77
Cameratoezicht op openbare plaatsen 1
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
2De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen:
Onverminderd het bepaalde in het Wetboek Strafrecht en in de Algemene Verordening Gegevensbescherming is het in het kader van privaat cameratoezicht niet toegestaan de openbare ruimte in beeld te brengen.
Artikel 2:78
Gebiedsontzeggingen 1
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten minste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht], een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
4De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:79
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder gevalopleggenbij ernstige en herhaaldelijke:
Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1
Definities
Artikel 3:1
Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Artikel 3:2
Bevoegd bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3:3
Nadere regels
Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.
Afdeling 2Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3:4 Seksinrichtingen 1
Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
2In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3:5
Gedragseisen exploitant en beheerder 1
De exploitant en de beheerder:
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:
Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:
De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.
Artikel 3:6
Sluitingstijden 1
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 en 14.00 uur.
2Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.
3Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.
4Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubehee gebaseerde voorschriften.
Artikel 3:7
Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1
Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3:8
Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig is.
2De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:
Artikel 3:9
Straatprostitutie 1
Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te lokken:
Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
3Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
4 De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b. 5De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
Artikel 3:10
Sekswinkels
(Vervallen)
Artikel 3:11
Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:
Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Afdeling 3Beslistermijn: weigeringsgronden
Artikel 3:12
Beslistermijn 1
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
2Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Artikel 3:13
Weigeringsgronden 1
De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:
Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van:
Artikel 3:13a
Intrekkingsgronden
(Vervallen)
Afdeling 4Beeindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3:14
Beëndiging exploitatie 1
De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
2Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 3:15
Wijziging beheer 1
Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
2Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
3In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Afdeling 5Overgangsbepaling
Artikel 3:16
(Vervallen)
Hoofdstuk 4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1
Geluidhinder en verlichting
Artikel 4:1
Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Artikel 4:2
Aanwijzing collectieve festiviteiten 1
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor:
Voor de kermisdagen geldt dat de vrijstelling slechts van toepassing is op de inrichtingen in het kermisvierende dorp.
2De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden voor een inrichting behorende tot de categorie ‘sport’ niet voor de in het eerste lid genoemde dagen.
3Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
4Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen of op de grens van geluidsgevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter.
5In afwijking van het vierde lid mag bij een festiviteit op een buitenterrein het equivalente geluidsniveau LAeq als gevolg van de inrichting niet meer bedragen dan 80 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter.
6De geluidsnorm genoemd in het vierde en vijfde lid is niet van toepassing bij onversterkte muziek en is exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Bedrijfsduurcorrectie wordt buiten beschouwing gelaten.
7Op de dagen bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20van het Activiteitenbesluit milieubehee - uiterlijk om 2.00 uur te worden beëindigd.
8In afwijking van het vorige lid dient op Nieuwjaarsdag het ten gehore brengen van extra muziek uiterlijk om 4.00 uur te worden beëindigd.
Artikel 4:3
Melding incidentele festiviteiten 1
Het is een inrichting behorende tot de categorie ‘horeca met muziek’ twaalf keer, ‘’overige horeca’ vijf keer en ‘overige bedrijven’ twee keer per kalenderjaar toegestaan incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
2Een inrichting mag één van het aantal in het eerste lid toegestane dagen gebruiken voor een festiviteit op het buitenterrein van de inrichting.
3Het is een inrichting behorende tot de categorie ‘sport’ toegestaan om per kalenderjaar tijdens twaalf incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van activiteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
4Het college stelt een formulier vast voor het doen van een de melding.
5De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
6De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
7Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter.
8In afwijking van het zevende lid mag bij een festiviteit op een buitenterrein het equivalente geluidsniveau LAeq als gevolg van de inrichting niet meer bedragen dan 80 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter.
9De geluidsnorm genoemd in het zevende en achtste lid is niet van toepassing bij onversterkte muziek en is exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
10Op de dagen waarvoor kennisgeving is gedaan zoals beschreven in het vierde en vijfde lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer - uiterlijk om 2.00 uur te worden beëindigd.
11In afwijking van het tiende lid dient het ten gehore brengen van extra muziek op een buitenterrein te allen tijde uiterlijk om 1.00 uur te zijn beëindigd.
12De geluidsnorm, bedoeld in het zevende lis, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.
13Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren besloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 4:4
(Vervallen)
Artikel 4:5
(Vervallen)
Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manfestatie, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Omgevingsverordening Limburg.
Afdeling 2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:7
(Vervallen)
Artikel 4:8
Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4:9
(Vervallen)
Afdeling 3Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10
Definities 1
In deze afdeling wordt verstaan onder:
In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, kandelaberen, het snoeien van meer dan 25% van het kroonvolume, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 4:11
Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.
2Het verbod geldt niet voor:
In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen vellen van een houtopstand binnen de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld met uitzondering van houtopstanden die staan in het gebieden “kobslocatie” zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende tekening.
4In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80 cm gemeten op 130 cm boven het maaiveld voor zover deze houtopstanden zich bevinden op erven of tuinen bij woningen.
5Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing wanneer het een houtopstand betreft welke is aangeplant met een door het bevoegd gezag opgelegde herplantplicht.
6Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
7Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.
Artikel 4:11a
Weigeringsgronden
De vergunning kan worden geweigerd op grond van:
Artikel 4:11b
Herplant- / instandhoudingsplicht 1
Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.
2Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
3Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gedaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zicht de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de hen te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.
4Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.
5Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevind dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen waardoor de bedreiging wordt weggenomen.
6Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht hieraan te voldoen.
Artikel 4:12
Bestrijding iepziekte 1
Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:
Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit verbod.
Afdeling 4Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13
(Vervallen)
Artikel 4:14
(Vervallen)
Artikel 4:15
Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2Het verbod niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Artikel 4:16
(Vervallen)
Afdeling 5Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4:17
Definities
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:18
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.
2Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende of diens gezinsleden op een terrein.
3Het college kan ontheffing verlenen van het.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:
Artikel 4:19
Aanwijzing kampeerplaatsen 1
Artikel 4:18, eerste lid is, niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
2Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.
Afdeling 6Bescherming van flora en fauna
Artikel 4:20
Plukverbod paddenstoelen 1
Het is verboden ter bescherming van het natuur- landschaps- of dorps- of stadsschoon paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben.
2Het verbod is niet van toepassing
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
Artikel 4:20
Verbod oplaten ballonnen
Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.
Hoofdstuk 5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1
Parkeerexcessen
Artikel 5:1
(Vervallen)
Artikel 5:2
Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3
(Vervallen)
Artikel 5:4
(Vervallen)
Artikel 5:5
Voertuigwrakken 1
Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 5:6
Kampeermiddelen en andere voertuigen 1
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a.
3Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Limburg.
Artikel 5:7
Reclamevoertuigen 1
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
2Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5:8
Grote voertuigen 1
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren binnen de bebouwde kom en op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren, binnen de bebouwde kom en op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
3Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
4Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
5Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.
Artikel 5:9
Uitzichtbelemmerende voertuigen 1
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10
Parkeren anders dan op de rijbaan 1
Het is verboden een voertuig te parkeren in de berm van de weg.
2Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 5:11
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1
Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
2Dit verbod is niet van toepassing op:
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5:12
Overlast van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Afdeling 2Collecteren
Artikel 5:13
Inzameling van geld of goederen 1
Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
2Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
4Het verbod lid geldt niet voor:
De verplichtingen en de verboden in dit artikel gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer of de op deze wet gebaseerde Afvalstoffenverordening.
Afdeling 3Venten
Artikel 5:14
(Vervallen)
Artikel 5:15
(Vervallen)
Artikel 5:16
(Vervallen)
Afdeling 4Standplaatsen
Artikel 5:17
Definitie 1
In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
2Onder standplaats wordt niet verstaan:
Artikel 5:18
Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:19
Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5:20
Afbakeningsbepalingen 1
Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg.
2De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5:21
(Vervallen)
Afdeling 5Snuffelmarkten
Artikel 5:22
(Vervallen)
Artikel 5:23
(Vervallen)
Afdeling 6Openbaar water
Artikel 5:24
(Vervallen)
Artikel 5:25
Ligplaats vaartuigen 1
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
2Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Omgevingsverordening Limburg en de Verordening Leukermeer e.o. gemeente Bergen (L.).
4Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.
5De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Artikel 5:26
Aanwijzingen ligplaats
(Vervallen)
Artikel 5:27
Verbod innemen ligplaats
(Vervallen)
Artikel 5:28
(Vervallen)
Artikel 5:29
Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5:30
Veiligheid op het water 1
Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
2Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Limburg.
Artikel 5:31
Zwemverbod
Het is verboden te zwemmen in het Reindersmeer en andere door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan.
Afdeling 6aBestrijding overlast waterscooters
Artikel 5:31a
begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder:
waterscooter: voor sport- en vrijetijdsdoeleinden bedoeld vaartuig met een romplengte van minder dan 4 meter dat een voortstuwingsmotor met een waterstraalpomp als primaire voortstuwingsbron gebruikt en ontworpen is om door (een) op en niet in de romp zittende, staande of knielende persoon (personen) te worden bediend.
Artikel 5:31b
Bestrijding overlast waterscooters 1
Onverminderd het bepaalde in de Verordening Leukermeer e.o. gemeente Bergen (L.) is het verboden om vanaf het grondgebied binnen de gemeentegrenzen waterscooters te water te laten of daartoe aanstalten te maken, met de kennelijke bedoeling zich daarmee op de rivier de Maas of een ander openbaar water voort te gaan bewegen.
2Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement.
Afdeling 7Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:31c
Begripsbepalingen
(Vervallen)
Artikel 5:32
Crossterreinen 1
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5:33
Beperking verkeer in natuurgebieden 1
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:
Het verbod is voorts niet van toepassing:
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Afdeling 8Verbod vuur te stoken
Artikel 5:34
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
2Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
5Het in artikel 5:34, eerste lid, gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg.
6Het in artikel 5:34, eerste lid, gestelde verbod geldt daarnaast niet voor zover het betreft:
Mits voldaan wordt door het college vast te stellen nadere regels.
Afdeling 9Verstrooiing van as
Artikel 5:35
Definitie
In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5:36
Verboden plaatsen 1
Incidentele asverstrooiing is verboden op verharde delen van de weg.
2Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat ook op andere plaatsen incidentele asverstrooiing plaatsvindt.
Artikel 5:37
Hinder of overlast
Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Hoofdstuk 6Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6:1
Sanctiebepaling
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 6:2
Toezichthouders 1
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast:
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Artikel 6:3
Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6:4
Intrekking oude verordening
De Algemene plaatselijke verordening Bergen 2012 wordt ingetrokken.
Artikel 6:5
Overgangsbepaling
Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
Artikel 6:6
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
Artikel 6:7 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Bergen 2019 of APV Bergen 2019.
Bergen, 21 oktober 2019.
De griffier, I.C. van 't Hof
De voorzitter, M.H.E. Pelzer
► Klik hier om dit bericht bij de officiële instantie te lezen.
| Datum | Betreft | Onderwerp |
Disclamer: De informatie op deze pagina wordt geleverd door het open data project van de Nederlandse overheid. Het doel van dit project is om zoveel mogelijk publieke informatie te ontsluiten. Drimble is afhankelijk voor de correctheid van deze informatie van derde partijen. De informatie op deze pagina kan daarom gedateerd of inmiddels ongeldig zijn. Raadpleeg daarom altijd de lokale overheidsinstantie bij toepassing van de gegevens.