Drimble

Tab H Bijlage A MFO Oss 2012

Regeling uitgegeven door de Gemeente Oss

Regeling tekst

Preambule:

Opmerking

Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 1 geldt hoofdgroep I. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 1 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming.

2.2 Hoofdgroep II

Werkzaamheden die een vaardigheid en bekwaamheid vereisen, die in belangrijke mate worden bepaald door routine in de toepassing van nauw bepaalde werkwijzen en door ervaringskennis bij deze toepassing. In de functie treden eigen oordeel, handelingskeuze of gedragsbepaling op ter realisering van gestelde taken.

De benodigde vaardigheid kan worden verkregen door onder meer een afgeronde vaktechnische scholing op het hoogste VMBO-niveau en/of routine in de toepassing van nauw bepaalde werkwijzen.

Toelichting

Te denken valt aan werkzaamheden:

-

waarvoor ambachtelijke kennis of vaardigheid is vereist;

-

als allround chauffeur die op een aantal typen voertuigen structureel wordt ingezet (bijvoorbeeld huisvuilauto + veegauto + kolkenzuiger + vrachtauto e.d.);

-

van dagelijks toezicht op de uitvoering van (technische) werkzaamheden (tot en met hoofdgroep II, bijvoorbeeld meewerkend voorman e.a.);

-

waarvoor vakinhoudelijke kennis danwel gedegen kennis van de Nederlandse taal is vereist.

Functies waaraan je moet denken zijn bijvoorbeeld:

-

allround chauffeur, loodgieter, secretariaatsmedewerkster, beheerder sportaccommodatie.

Opmerking

Indien voor een functie een HAVO-niveau geadviseerd wordt, dan komt het verschil met VMBO-niveau tot uitdrukking in de score voor functionele vorming. Als basis voor een HAVO-niveau geldt hoofdgroep II met 3 punten voor functionele vorming. Voor VWO geldt een score van 4 punten voor functionele vorming.

Een MBO-opleiding op niveau 2 wordt gelijkgesteld aan een VMBO-opleiding. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 2 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking door een indeling in hoofdgroep II.

Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 3 geldt hoofdgroep II. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 3 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming.

2.3 Hoofdgroep III

Werkzaamheden waarvoor een praktische vaardigheid is vereist, die mede berust op theoretische kennis en op breder inzicht in de technische, organisatorische en economische en/of maatschappelijke samenhang.

De werkzaamheden als zodanig zijn in het algemeen nog bepaald tot een vrij nauw afgebakend werkgebied of takenpakket, maar vereisen eigen analyse, interpretatie, conceptie en aanpak c.q. optreden en gedragsbepaling.

De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen door een afgeronde, middelbare vaktechnische scholing (MBO niveau 4).

Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 4 geldt hoofdgroep III. Indien voor een functie een MBO-opleiding op niveau 4 wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking door een indeling in hoofdgroep III.

Toelichting

Te denken valt aan werkzaamheden:

-

van dagelijks toezicht op de uitvoering van meer gecompliceerde werkzaamheden (tot en met hoofdgroep III);

-

van in het algemeen meer uitvoerend karakter, waartoe echter naast praktische gerichte vakkennis ook een theoretische ondergrond aanwezig moet zijn voor het opvangen van zich in de uitvoering voordoende problemen of voor het uitwerken van meer gecompliceerde opdrachten.

Functies waaraan je moet denken zijn bijvoorbeeld:

-administratief juridisch medewerker, salarisadministrateur, ambtenaar burgerlijke stand, boekhouder, landmeter, deurwaarder.

2.4 Hoofdgroep IV

Werkzaamheden waarvoor praktisch in zicht en praktijkkennis is vereist van theoretische grondslagen enerzijds en een oriëntatie buiten het eigenvakgebied anderzijds. Het arbeidsveld of vakgebied als zodanig is meestal nog begrensd, maar raakt aan andere terrein en vakrichtingen waarop moet worden ingespeeld.

Werkzaamheden waarbij veelal in direct samenspel met beleidsfunctionarissen en/of uitgaande van globaal geformuleerde algemene beleidslijnen en/of richtlijnen wordt deelgenomen aan de beleidsvoorbereiding, hooggekwalificeerde uitvoerende en/of controlerende werkzaamheden op een afzonderlijk terrein van overheidszorg, management of beheer dan wel wetenschap en techniek.

De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen middels afronding van hogere vaktechnische scholing (HBO Bachelorniveau).

Toelichting

Te denken valt aan:

-

het verrichten van therapeutische werkzaamheden in het begeleiden van mensen, bijvoorbeeld bij maatschappelijk werk;

-

werkzaamheden van hoofden van onderdelen, die als zodanig in een groter organisatorisch verband een vrij afgeronde en zelfstandige functie vervullen;

-

dagelijks toezicht op omvangrijke en gecompliceerde technische werkzaamheden (tot en met hoofdgroep IV);

-

statische berekeningen van ingewikkelde staal- en/of betonconstructies;

-

handhaven van milieuvoorschriften bij de zwaardere categorie bedrijven.

Functies waaraan je moet denken zijn bijvoorbeeld:

-p&o-adviseur, beleidsmedewerker, midden-managementfuncties, juridisch adviseur, maatschappelijk werker, stedenbouwkundige.

Opmerking

Als basis voor een HBO Bacheloropleiding geldt hoofdgroep IV. Indien voor een functie een HBO Masteropleiding (voormalig Post-HBO) wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming.

Het Universitair Bachelorniveau wordt in dit systeem niet als een volledige wetenschappelijke studie gezien; de basis is derhalve hoofdgroep IV. Indien voor een functie een Universitair Bacheloropleiding wordt geadviseerd, dan komt dit tot uitdrukking in de score voor functionele vorming.

2.5 Hoofdgroep V

Werkzaamheden waarbij de vereiste bekwaamheid vooral de kwaliteit van analytisch, synthetisch-methodisch denken betreft, alsmede creativiteit en onafhankelijke oordeelsvorming.

De werkzaamheden omvatten onder andere het uitwerken van beleidsideeën (prognose, planning, onderzoek), het ontwikkelen van beleidslijnen op een breed terrein en op lange termijn. Daarnaast betreft het standpuntbepaling en belangenbehartiging in contacten met maatschappelijke groeperingen, in commissies enz., ook internationaal, in het (mede) geven van richting aan de ontwikkeling van grote technische of maatschappelijke projecten.

Werkzaamheden in de sfeer van bestuur en beleid op onderscheiden terreinen van overheidszorg/bedrijfsvoering/(toegepaste) wetenschapsbeoefening. De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen middels afronden van een wetenschappelijke studie (Universitair Masterniveau).

Toelichting

Te denken valt aan:

-

hoofden van zeer grote afdelingen;

-

hoofden van kleine tot middelgrote sectoren’;

-

directeuren van kleinere organisaties;

-

concerncontrollers; concernadviseurs van grote organisaties;

-

schoolartsen, bedrijfsartsen e.a.

Functies waaraan je moet denken zijn bijvoorbeeld:

-strategisch beleidsmedewerker, zware managementfuncties, bedrijfsarts, (concern)-controller.

2.6 Hoofdgroep VI

Werkzaamheden waarbij de bekwaamheid deskundigheid betreft op een theoretisch, fundamenteel gebied alsmede het hebben van diepgaand inzicht in politiek-bestuurlijke, sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke of bedrijfsstructuren.

De werkzaamheden betreffen (integraal, operationeel, sectoraal of specialistisch) management ten aanzien van een afgerond terrein van (overheids)bestuur, aansturing van een omvangrijke dienst/instelling/sector dan wel het fungeren als intermediair tussen de politieke organisatie en de ambtelijke organisatie.

De werkzaamheden hebben als doel het realiseren van een geheel van (beleids)doelstellingen op politiek-bestuurlijk, maatschappelijk en/of wetenschappelijk-strategisch niveau zijn vastgesteld. De wijze van uitvoering en de te bereiken resultaten hebben een duidelijk, veelal duurzame invloed op het functioneren van de maatschappij, het overheidsapparaat en/of omvangrijke delen van de samenleving.

De benodigde bekwaamheid kan worden verkregen middels afronding van een wetenschappelijke opleiding (Universitair Masterniveau), aangevuld met 7 jaar aanvullende school- en/of praktijkopleiding (ruime managementervaring en/of wetenschappelijke ervaring; voltooide tweede fase-opleiding).

Toelichting

Te denken valt aan:

-

het leiden van zware beleids- en staforganen, wetenschappelijke instituten of diensten;

-

hoofden van zeer grote, zware beleids- en technische afdelingen.

Functies waaraan je moet denken zijn bijvoorbeeld:

-gemeentesecretaris, dienstdirecteur

Voor de afweging om bepaalde functies te positioneren in de hoofdgroepen IV, V en VI kunnen verder de volgende criteria (of een keuze daaruit) worden gehanteerd:

$

zwaarte van de discipline/het beleidsveld;

$

span of control/attention (managementfuncties);

$

afbreukrisico ---> bedrijfsvoering dienst o.a financieel en/of politiek;

$

maatschappelijke impact van de functie;

$

invloed van de functie op het resultaat, continuïteit en imago van de organisatie/dienst/afdeling (managementfuncties);

$

(eind)verantwoordelijkheid voor resultaat;

$

functie-omgeving (intern/extern netwerk).

3. Secundaire factoren

Binnen de hoofdgroepen I t/m VI kan met de zogenaamde secundaire factoren tot de gewenste differentiatie worden gekomen.

Als criteria worden gehanteerd:

a.

Functionele vorming

b.

Handelingsvrijheid

c.

Keuzemogelijkheden

d.

Leidinggeven

e.

Contact

Voor elk van deze criteria is een score van 1, 2, 3 of 4 punten mogelijk, voor leidinggeven is ook score 0 mogelijk. De som van de behaalde scores is bepalend voor de plaats binnen de hoofdgroep.

3.1 Functionele vorming

Functionele vorming omvat de theoretische en praktische kennis die de functie verlangt, uitgaande boven het denk- en werkniveau dat bepalend is geweest voor de hoofdgroepindeling. Dit wordt ook wel functiegerichte kennisvermeerdering genoemd.

De functionele vorming wordt binnen de hoofdgroepen I t/m V uitgedrukt in het totaal benodigde aantal jaren school- en praktijkopleiding en omvat ook de normale te achten studie thuis. Ter benadering van de waardering kunnen fictieve opleidingen worden geconstrueerd.

Bij de indeling in hoofdgroep VI is rekening gehouden met een voltooide wetenschappelijke studie, aangevuld met meer dan 7 jaar aanvullende school- en praktijkopleiding. De score voor functionele vorming wordt bij hoofdgroep VI niet meer bepaald door kennis, maar door de nodige extra ervaring die uitstijgt boven de genoemde voltooide wetenschappelijke studie plus meer dan 7 jaar aanvullende school- en/of praktijkopleiding.

De extra benodigde ervaring is afhankelijk van:

-

de mate waarin er sprake is van initiëren van en richting geven aan nieuw beleid;

-

het aantal beleidsvelden, de breedte en de diepgang daarvan, behorend tot de betrokken functie;

-

het aantal formatieplaatsen waaruit de organisatorische eenheid bestaat en de zwaarte daarvan, bijvoorbeeld tot uitdrukking komend in het aantal beleidsfuncties op academisch niveau.

3.1.1 Scoretabel

De telling van de extra jaren benodigde ervaring loopt parallel aan de jaren voor functionele vorming, die bij de scores is vermeld.

Score

Omschrijving

1

Na de beroepsopleiding is maximaal 1 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig.

2

Na de beroepsopleiding is meer dan 1 tot maximaal 2 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig.

3

Na de beroepsopleiding is meer dan 2 tot maximaal 4 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig.

4

Na de beroepsopleiding is meer dan 4 tot maximaal 7 jaar school- en/of praktijkopleiding nodig.

Indien de aanvullende kennis meer dan 7 jaar bedraagt, wordt de functie ingedeeld in de naasthogere hoofdgroep, als regel met 1 punt voor functionele vorming.

Toelichting

1.

Bij functionele vorming mogen alleen die aspecten worden meegenomen, waarvan mag worden verwacht dat deze in de beroepsopleiding (hoofdgroep) niet of nauwelijks zijn behandeld en die door het volgen van een aanvullende studie c.q. praktijkopleiding (prak-tijkervaring als kennisvermeerdering) eigen moeten worden gemaakt.

2.

Bij de bepaling van de hoofdgroep en score voor functionele vorming wordt uitsluitend de kennisvermeerdering die nodig is voor de functie gehonoreerd (functiegerichte kennisvermeerdering).

3.

Eén jaar schoolopleiding bij functionele vorming komt overeen met 40 studieweken. Bij de bepaling van de studieduur wordt uitgegaan van het normaal geachte aantal les- en studie-uren (10-15 uur per week), tenzij duidelijk kan worden aangetoond dat dit aantal hoger of lager ligt.

4.

Eén jaar praktijkopleiding komt overeen met 1 jaar aanvullende studie als bij punt 3 gedefinieerd, tenzij duidelijk kan worden aangetoond dat het aantal opleidingsuren duidelijk hoger of lager is dan 10-15 uur per week.

5.

Bij de bepaling van het aantal jaren school- en/of praktijkopleiding wordt in principe uitgegaan van de kortste weg.

6.

Ook kennis die nodig is om leiding te kunnen geven of voor het kunnen hebben van (in-gewikkelde) contacten, dient bij dit gezichtspunt te worden gewaardeerd.

7.

Bij zowel de hoofdgroepindeling als functionele vorming, worden opleidingen gehanteerd die geen discussie opleveren over het niveau van de opleiding én die passen binnen de structuur van het kennisaspect van het functiewaarderingssysteem. De algemeen gangbare en erkende opleiding wordt gehanteerd.

8.

Als basis voor een MBO-opleiding op niveau 2 of 3 geldt hoofdgroep II met respectievelijk 1 en 3 punten voor functionele vorming gebaseerd op de duur van de opleidingen.

9.

Als basis voor een HBO Bacheloropleiding geldt hoofdgroep IV. Indien voor de functie een HBO Masteropleiding wordt geadviseerd, geldt als basis hoofdgroep IV met 3 punten voor functionele vorming.

10.

Als basis voor een Universitair Bachelorniveau geldt hoofdgroep IV met 1 punt voor functionele vorming, gebaseerd op de duur van een deficiëntie- of schakelprogramma.

3.2 Handelingsvrijheid (beslissingen naar eigen inzicht nemen)

Het gaat hierbij om de mogelijkheid die de functie biedt beslissingen naar eigen inzicht te nemen. Deze mogelijkheid wordt onder meer beperkt door toezicht, controle, toetsing, beoordeling door of namens de leiding, een en ander afhankelijk van de aard van de werkzaamheden. Deze controle, toetsing, of beoordeling kan plaatsvinden door onder meer de direct leidinggevende, een hogere leidinggevende, een namens de leiding met controle, toetsing of beoordeling belaste functionaris, al dan niet in het kader van een bepaalde procedure of werkproces of een in een procedure of werkproces ingebrachte zelfcontrole.

De frequentie van deze controle, toetsing of beoordeling wordt mede als maatstaf gehanteerd voor het bepalen van de score. Voor de bepaling van de score mogen uitsluitend die werkzaamheden (functiebestanddelen) in aanmerking komen, die van overwegende invloed zijn geweest voor de bepaling van het totale werk- en denkniveau (hoofdgroep en functionele vorming).

Score

Omschrijving

1

Gegeven de aard van de werkzaamheden mag worden verwacht dat het werk(resultaat) of de werksituatie aan een regelmatige dan wel gedetailleerde (systeen)controle/toetsing/ beoordeling wordt onderworpen

2

Gegeven de aard van de werkzaamheden mag worden verwacht dat het werk of werkresultaat of de werksituatie steekproefsgewijs danwel in grote lijnen wordt gecontroleerd/getoetst/beoordeeld.

3

Gegeven de aard van de werkzaamheden mag worden verwacht dat het werk(resultaat) of werksituatie slechts aan een eindcontrole/-toetsing/-beoordeling kan worden onderworpen.

4

Gegeven de aard van de werkzaamheden kanbeoordeling/toetsing van het werk(resultaat) slechts plaatsvinden op grond van de uitwerking in de praktijk.

Toelichting

1.

De mogelijkheid van methodische zelfcontrole en de in de procedure/werkmethode in-gebouwde controles zijn van invloed bij de bepaling van de score.

2.

Partiële verantwoordelijkheid leidt nooit tot de maximale score.

3.

Score 4 wordt gegeven indien de werkzaamheden zodanig van aard zijn dat er sprake is van een groot aantal onzekere factoren die door de functionaris in de afweging moeten worden betrokken, terwijl de inbreng in de beleidsadvisering en/of besluitvorming doorslaggevend is. Onzekere factoren zijn bijvoorbeeld het inschatten van ontwikkelingen op lange termijn, waarbij alleen de praktijk kan uitwijzen of de inschatting de juiste is geweest. Dit zal veelal pas na verloop van jaren mogelijk zijn.

3.3 Keuzemogelijkheden (het ontwikkelen van eigen initiatieven)

Het gaat hierbij om de mate waarin de organisatie en de (aard van de) werkzaamheden de functionaris de mogelijkheid bieden tot het ontwikkelen van initiatieven, het bewandelen van andere wegen dan de gebruikelijke en het oplossen van zich voordoende problemen naar eigen inzicht. Deze keuzen kunnen worden beperkt door wetgeving, jurisprudentie, voorschriften, richtlijnen (bijvoorbeeld NEN-bladen, vakvoorschriften, overheidsvoorschriften en/of -richtlijnen, veiligheidsvoorschriften etc.), instructies, werkafspraken e.d. Bij de bepaling van de score mogen uitsluitend die werkzaamheden (functiebestanddelen) in aanmerking worden genomen, die van overwegende invloed zijn geweest voor de bepaling van het totale werk- en denkniveau (hoofdgroep en functionele vorming).

Score

Omschrijving

1

Door voorschriften en gedragsregels liggen werkmethoden en/of werkvolgorde vast; er wordt slechts vrijheid gelaten in tevoren bepaalde gevallen (details en routinebeslissingen).

2

Werkmethoden en/of werkvolgorde liggen niet vast. Het werk of een onderdeel daarvan kan op meerdere, maar wel bekende manieren worden uitgevoerd. Afhankelijk van de omstandigheden dient een keuze te worden gemaakt.

3

Het werk omvat het ontwerpen en realiseren van nieuwe oplossingen voor problemen in de uitvoeringssfeer. In de regel zijn dit eenmalige oplossingen danwel beleidsuitvoering binnen vastgestelde of aangegeven beleidslijnen en/of instructies.

4

Het werk omvat het ontwerpen en realiseren van nieuwe oplossingen voor problemen in de sfeer van het beleid. In de regel zijn dit algemeen geldende structurele oplossingen.

Toelichting

1.

Bij het indienen en honoreren van een bezwaarschrift tegen de hoofdgroepindeling en/of score voor functionele vorming moet de score voor dit gezichtspunt (keuzemogelijkheden) opnieuw worden bepaald (op grond van niveaubepalende werkzaamheden).

2.

Keuzen die voor het eerst zijn/worden gemaakt, behoeven niet altijd te worden gerekend tot nieuwe oplossingen. Keuzen bij werkzaamheden waarvoor algemeen aanvaarde methoden gelden, hoewel nog niet toegepast in de organisatie en/of het werk, worden gerekend tot score 2.

3.

Onder nieuwe oplossingen/wegen dient te worden verstaan die oplossingen/wegen die op grond van het werk- en denkniveau, zoals blijkt uit de hoofdgroepindeling en de score voor functionele vorming van de functie, niet bekend verondersteld mogen worden.

4.

Onder beleid wordt verstaan: het formuleren van doelstellingen en de weg die moet worden gegaan om de doelstellingen te bereiken. Kenmerken van beleidsontwikkeling zijn: het ontwikkelen van een visie geldend voor de langere termijn, op een breed terrein en grensoverschrijdend naar andere vakdisciplines.

3.4 Leidinggeven

Leidinggeven is het richting geven aan de activiteiten van functionarissen, die hiërarchisch direct of indirect ondergeschikt zijn teneinde de gestelde doelen te bereiken. Het leidinggeven kenmerkt zich in beginsel door de aanwezigheid van een gezagssituatie, waarbij de medewerkers zich (uiteindelijk) hebben te voegen naar hetgeen de leidinggevende juist of noodzakelijk acht.

In die situaties waarin geen sprake is van een hiërarchische verhouding maar van een coördinerende rol, wordt gesproken van functioneel aansturen.

Vanuit de filosofie van integraal management wordt geen onderscheid (meer) gemaakt tussen volledig en partieel leidinggeven. In de MFO wordt alleen het begrip volledig leidinggeven gehanteerd. Hieronder wordt de situatie verstaan waarbij de leidinggevende verantwoordelijk is voor:

-

de organisatie of formatie van de afdeling of eenheid, ook op de wat langere termijn;

-

de uitvoering van de werkzaamheden (kwantiteit, kwaliteit, kosten, tijd);

-

de zorg voor de personeelsleden die tot de afdeling of eenheid behoren (doorslaggevende/-beslissende inbreng bij werving, selectie, loopbaanbegeleiding, personeelsbeoordeling, oplossen van problemen enz.)

Functioneel aansturen

Er is sprake van functioneel aansturen voor die functionarissen, die met coördinerende werkzaamheden zijn belast. Onder coördinerende werkzaamheden wordt onder meer verstaan het coördineren van de dagelijkse werkzaamheden, het instrueren van collega's en derden al dan niet in projecten, het controleren en regelen - inclusief planning en verdelen - van werkzaamheden, het signaleren van problemen, het optreden als klankbord en als eerste aanspreekpunt.

Bij functioneel aansturen is er geen sprake van een hiërarchische relatie, terwijl de functionaris wel met een aantal leidinggevende taken wordt belast. Om voor functioneel aansturen in aanmerking te komen, dient aan alle navolgende voorwaarden te worden voldaan:

1.

Er dient sprake te zijn van structureel, functioneel aansturen op het terrein van het eigen vakgebied.

2.

De functionele aansturing betreft ten minste 2 volledige formatieplaatsen.

3.

Het functioneel aansturen dient te blijken uit een aanwijzing door het bestuursorgaan of de directie danwel te blijken uit de functiebeschrijving.

Tot het functioneel aansturen wordt ook gerekend formeel projectleiderschap, voor zover dit gedurende 2 tot 3 jaar minimaal 25% van de werktijd vergt en voor zover de projectleider verantwoordelijk is voor het eindproduct.

Bovendien dient projectleiderschap het aansturen van ten minste 2 projectmedewerkers te omvatten. In dit geval bestaat er overigens geen hiërarchische relatie met de personen aan wie leiding wordt gegeven.

Kwaliteitseisen bij leidinggeven

De kwaliteitseisen die aan het leidinggeven worden gesteld, komen in de hoofdgroepindeling, alsmede in de aspecten ‘functionele vorming' en ‘keuzemogelijkheden' en/of ‘zelfstandigheid' tot uitdrukking.

Toelichting

1.

Bij dit gezichtspunt ligt, met uitzondering van functioneel aansturen, de nadruk op de aanwezigheid van een hiërarchische verhouding. Mentorschap, kameroudste, eerste medewerk(ster) e.d. worden bij dit gezichtspunt niet gewaardeerd. Het samenwerken van een aantal medewerkers, waarbij een van deze personen optreedt als eerste man/vrouw/-voorman (bijvoorbeeld vakman ten opzichte van assistenten, chauffeur ten opzichte van bijrijders/beladers, fitter ten opzichte van grondwerker(s), wordt niet bij dit gezichtspunt gewaardeerd. Indien een functionaris als eerste aanspreekpunt structureel met coördinerende werkzaamheden is belast, kan dit bij functioneel aansturen worden gewaardeerd.

2.

Tijdelijk personeel (bijvoorbeeld stagiaires, uitzendkrachten e.d.) wordt bij dit gezichtspunt niet meegeteld, tenzij het aanwezig zijn daarvan een permanent karakter draagt en productiegericht is.

3.

Het leidinggeven aan ingehuurd personeel zonder eigen leiding, een en ander met een vrijwel permanent karakter, wordt meegeteld als functioneel aansturen. Bij fluctuaties in aantallen (bijvoorbeeld werken met seizoenkrachten) wordt in principe uitgegaan van het jaargemiddelde.

4.

Bij deeltijders/parttimers e.a. geschiedt de aantalbepaling als volgt:

a.

Voor deeltijders/parttimers die 50% of meer werkzaam zijn:

(aantal medewerkers + aantal volledige formatieplaatsen) : 2 = aantal

b.Voor deeltijders/parttimers die minder dan 50% werkzaam zijn:

1,5 maal het aantal overeenkomstige volledige formatieplaatsen.

5.

Afronding vindt plaats tot hele getallen via de natuurlijke afronding (dat wil zeggen 0,5 en meer naar boven en 0,49 en lager naar beneden afronden). Indien het aantal kleiner is dan 1, wordt dit aantal bepaald op 0.

6.

Leidinggeven aan vrijwilligers wordt slechts meegenomen bij dit gezichtspunt indien er sprake is van een structureel karakter. Van een structureel karakter kan sprake zijn, indien:

a.

de vrijwilliger een schriftelijk aanstellingsbesluit heeft gekregen van het bestuursorgaan of de directie;

b.

de vrijwilliger, gezien over een langere periode - zo mogelijk twee jaar - regelmatig in de organisatie werkzaam is.

Dergelijke vrijwilligers worden meegenomen als waren zij in dienst van de organisatie. In het algemeen zal er sprake zijn van functioneel aansturen; volledig leidinggeven is evenwel niet uitgesloten. Voor de toepassing van de scoretabel wordt uitgegaan van volledige formatieplaatsen. Voor de berekening van de formatie wordt uitgegaan van de gemiddelde werktijd per week (ziekte, vakantie en verlof niet meegerekend), gerekend over een periode van zo mogelijk twee jaar.

7.

Het komt voor dat leidinggevenden gelijktijdig zowel volledig leidinggeven of functioneel aansturen. Voorbeelden:

$

hiërarchisch leidinggevende, tevens projectleider

$

leidinggevende die zowel aan eigen personeel als aan ingehuurd personeel leidinggeeft. Aangezien de tabellen voor volledig leidinggeven en functioneel aansturen verschillend zijn, kunnen de aantallen niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld.

De som voor volledig leidinggeven, opgeteld met de helft van de som voor functioneel aansturen, bepaalt de totaalscore voor leidinggeven (uitgegaan wordt van de niet afgeronde getallen). Na afronding wordt de tabel voor volledig leidinggeven toegepast.

8.

Vervanging wordt bij dit gezichtspunt alleen meegenomen indien:

$

de vervanging structureel is (dat wil zeggen een vast onderdeel van de functie is);

$

de vervanging meer dan 20% (exclusief vervanging voor ziekte, verlof en vakantie) van de werktijd bedraagt;

$

aan meer personen leiding wordt gegeven.

Het leidinggeven wordt aangemerkt als volledig leidinggeven, waarbij voor de sombepaling moet worden uitgegaan van het jaargemiddelde. Indien betrokken functie reeds scoort voor dit gezichtspunt, wordt de uiteindelijke score bepaald op de hoogst gehaalde score. Vervanging bij ziekte, vakantie en verlof wordt niet meegenomen. Overigens kan vervanging invloed hebben op andere gezichtspunten, bijvoorbeeld op functionele vorming.

9. Voor het bepalen van de score voor leidinggeven en functioneel aansturen wordt de volgende tabel gehanteerd.

Scoretabel

Score

Volledig leidinggeven

(aantal fte)

Functioneel aansturen

(aantal fte)

0

0

0 en 1

1

1 t/m 4

2 t/m 12

2

5 t/m 12

13 en meer

3

13 t/m 40

4

41 en meer

3.5 Contact

Hierbij komen tot uitdrukkingde aard van de contacten en de eisen die aan de contactvaardigheid in de functie worden gesteld met betrekking tot personen met wie de functionaris in een niet-hiërarchische verhouding staat. Ervaringskennis op het terrein van de menselijke verhoudingen, kennis van mentaliteit, levensgewoonten, sociale omstandigheden, levensbeschouwelijke invloeden met betrekking tot bepaalde (groepen) personen e.d. worden als kennis aangemerkt en derhalve gewaardeerd in de hoogdgroep en functionele vorming.

Bezinning op de wijze waarop gerezen moeilijkheden in de contactverhoudingen moeten worden aangepakt of voorkomen, alsmede overwegingen welke gedragslijn te volgen, worden in het gezichtspunt “keuzemogelijkheden” gewaardeerd.

Score

Omschrijving

1

Het gaat in de contacten om het signaleren en informeren: het overdragen of inwinnen van feitelijke informatie. Hierbij heeft de ander geen belang bij het achterhouden van informatie.

2

Het contact is een essentieel onderdeel van de functie. Het gaat hierbij om het behulpzaam zijn en/of om het verkrijgen van begrip.

3

Het gaat in de contacten om het verkrijgen van medewerking: er is sprake van een duidelijke belangentegenstelling, waarbij echter de beslissing vastligt, zodat het gaat om anderen ertoe te brengen tot actie over te gaan danwel dit juist niet te doen. Vaak is een machtsmiddel of een terugkoppelingsmogelijkheid aanwezig.

4

In de contacten is sprake van een controversiële situatie, waarbij een zwaarwegendebeslissing tot stand moet komen, hetzij door overtuigen, hetzij door onderhandelen.In principe is geenmachtsmiddel of terugkoppelingsmogelijkheid aanwezig.

Toelichting

1.

Indien bij een contact de ‘beslissingsbevoegdheid' aan de kant van de functionaris ligt, zal een dergelijk contact om die reden nimmer leiden tot score 4.

2.

Score 4 voor dit gezichtspunt wordt bereikt indien naast het feit dat geen machtsmiddel aanwezig is in een gesprek op dat moment een zwaarwegende beslissing moet worden genomen

EN

er sprake is van volledige zelfstandigheid (geen min of meer gelijkwaardige of eerder aanspreekbare persoon aanwezig is), waarbij de functionaris verantwoordelijk is voor een beslissing waarop niet kan worden teruggekomen (of alleen met ernstig afbreuk van het vertrouwen in de gesprekspartner of organisatie, of met hoge kosten enz.).

3.

Indien een functionaris regelmatig in contact komt met agressieve burgers/cliënten, dan geldt score 3 voor dit gezichtspunt.

4.

Conversietabel

HOOFDGROEP

SN

I

II

III

IV

V

VI

1

2

4 en 5

6 t/m 8

4

3

4

9 en meer

5 t/m 7

8 t/m 9

5

6

10 t/m 12

13 en meer

4 t/m 6

7 t/m 9

4

7

8

10 t/m 12

13 t/m 15

5 t/m 6

7 t/m 9

9

10

16 en meer

10 t/m 11

12 t/m 13

4 t/m 6

10a

11

14 t/m 15

16 t/m 17

7 t/m 9

10 t/m 11

11a

12

18 t/m 19

20

12 t/m 13

14 t/m 15

13

14

16 t/m 18

19 t/m 20

4 t/m 12

13 t/m 15

15

16

16 t/m 17

18

17

19 en meer



    Disclamer: De informatie op deze pagina wordt geleverd door het open data project van de Nederlandse overheid. Het doel van dit project is om zoveel mogelijk publieke informatie te ontsluiten. Drimble is afhankelijk voor de correctheid van deze informatie van derde partijen. De informatie op deze pagina kan daarom gedateerd of inmiddels ongeldig zijn. Raadpleeg daarom altijd de lokale overheidsinstantie bij toepassing van de gegevens.