Drimble

CAR/UWO en UWO-II Haarlemmermeer

Regeling uitgegeven door de Gemeente Haarlemmermeer

Regeling tekst

Preambule:

1 Algemene bepalingen

1 Algemene bepalingen

Klik hier voor hoofdstuk 1 Algemene bepalingen van de UWO-II.

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

1

Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:

a

ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;

b

betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten;

c

pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;

d

pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

e

arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

f

arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;

g

formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling;

h

feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;

i

seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling;

j

arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;

k

volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;

l

overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;

m

werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten;

n

werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

o

uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand;

p

Zvw: de Zorgverzekeringswet;

q

CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten;

r

UWO: Uitwerkingsovereenkomst;

s

functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver;

t

waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking;

u

LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;

v

WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

w

arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO;

x

WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;

y

WIA:Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

z

IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten;

aa

IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;

bb

WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten;

cc

WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;

dd

WAJONG:Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten;

ee

WAZ:Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

ff

Waz :Wet arbeid en zorg;

gg

SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen;

hh

uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

ii

pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

jj

WPA: de Wet privatisering ABP;

kk

FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;

ll

FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;

mm

deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt;

nn

ZW: de Ziektewet;

oo

ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;

pp

UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.

2

Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd.

Artikel 1:2 Geen ambtenaar

1

Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:

a

het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs;

b

het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;

c

de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig;

d

de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet;

e

de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;

f

de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid;

g

de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid;

h

hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;

i

de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.

2

Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.

3

Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.

Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar

1

Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.

2

Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing

3

Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.

4

Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.

Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan

1

Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden.

2

Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.

3

De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar.

4

Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende.

5

Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar.

6

De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 1.

7

Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente.

8

Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en 17.

Artikel 1:2:3 Instapplan

1

Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen.

2

Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.

3

In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar.

Artikel 1:3 Toepassing

1

De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.

2

Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.

Artikel 1:3a Toepassing

Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.

Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies

Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:

a

bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst;

b

instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.

Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO

1

Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.

2

Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken:

a

de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

b

de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales;

c

de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;

d

ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.

Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO

1

Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

2

Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen

De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.

Artikel 1:5 Omvang van de betrekking

Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.

Artikel 1:6 Vrijstelling

1

In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.

2

De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden.

2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag

Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.

Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid

1

Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.

2

Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.

3

Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële gegevens.

4

De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek

1

Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.

2

De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.

Artikel 2:4 Duur van de aanstelling

1

De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.

2

Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling.

3

Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter.

4

In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen.

5

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden.

6

Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling.

Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling

1

De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:

a

de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);

b

de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar

c

de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:

I

in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;

II

voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef;

III

voor een project met een eenmalig en uniek karakter;

IV

hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming;

V

als vakantiekracht;

VI

voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen;

VII

als werkzoekende in tijdelijke dienst.

2

Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld.

3

De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.

Artikel 2:4:2 Vacatures

1

De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.

2

Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.

Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst

1

Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.

2

De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.

3

Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.

Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst

Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten

De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.

Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst

De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:

a

de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden;

b

de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;

c

een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;

d

de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;

e

een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim;

f

indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.

Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht

1

De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .

2

De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.

3

Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.

Artikel 2:6 Overgangsrecht

1

Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden.

2

Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001.

3

Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 .

4

Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 .

Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur

1

Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

2

Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

3

Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie.

Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur

1

Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.

2

Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:

-

de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode;

-

het salaris evenredig wordt verhoogd;

-

de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;

-

de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;

-

de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;

-

de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;

-

instemming van de ambtenaar is vereist;

-

artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.

3

Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.

4

Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.

3 Salaris en vergoedingsregelingen

3 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Klik hier voor hoofdstuk 3 Bezoldigingsverordening van de UWO-II (o.a. Onregelmatige dienst, Uitlooptoelage, Beschikbaarheidsdienst).

Artikel 3:1 Bezoldiging

1

Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend.

2

In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt:

a

schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop;

b

salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag;

c

bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage.

3

Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR.

a

Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is.

b

Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op:

-

de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en

-

de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken.

4

Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II .

5

Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken:

-

dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ;

-

en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa .

6

Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand.

7

Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.

8

Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.

Artikel 3:1:1 Bezoldiging

1

De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn.

2

Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.

3

Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen.

4

Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.

Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage

1

De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid.

2

De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald.

3

De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming.

4

Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt.

5

Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.

Artikel 3:2 Overwerkvergoeding

De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding

1

De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde.

2

Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.

3

Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

4

Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met 100.

5

a

Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt:

-

100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;

-

75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;

-

75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur

-

50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur;

-

50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur;

-

25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur

b

Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald.

c

Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%.

6

Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten.

7

Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen.

8

Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.

Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst

1

De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op:

a

maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur;

b

zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur;

c

zondag tussen 00.00 en 24.00 uur.

2

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld.

3

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld.

4

In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten

Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden.

Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding

Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding.

Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding

1

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde:

a

feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven;

b

werktijd, deze werktijd wordt verschoven.

2

Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd.

3

De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon.

Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie

De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald:

a

in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef;

b

op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.

Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie

1

Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft.De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen:

a

op grond van artikel 8:3 ;

b

op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

c

op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft;

en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend.Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro.

2

Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.

Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering

1

De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

2

De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

3

Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

Artikel 3:7:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:5 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:7 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage

1

Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat.

2

De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.

4 Arbeidsduur en werktijden

4 Arbeidsduur en werktijden

Klik hier voor hoofdstuk 4 Regeling glijdende werktijden en informeel sparen van de UWO-II.

Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden

1

Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden.

2

De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.

3

Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft.

Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden

1

In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld.

2

Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen:

a

dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is;

b

dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt;

c

dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken;

d

dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken.

3

Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.

Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden

1

Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.

2

Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.

3

Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd.

4

Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.

5

Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.

Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden

Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.

Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid

1

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a

opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;

b

kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

2

Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.

3

De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.

4

In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

5

In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 , 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

6

In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed

7

In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.

8

In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

9

In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.

10

Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

Artikel 4:3:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 4:3:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 4:3:3 Vervallen

(Vervallen)

4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden

4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden

Klik hier voor hoofdstuk 4a Cafetariamodel van de UWO-II.

Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld

1

De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.

2

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.

3

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

4

Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

5

Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren

1

De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

2

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

3

Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

4

Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding

1

Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

2

Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.

5 Seniorenmaatregelen

5 Seniorenmaatregelen

Klik hier voor hoofdstuk 5 Seniorenmaatregelen van de UWO-II.

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 5 is vervallen.

5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen

Artikel 5a:1 Recht op uitkering

De ambtenaar die:

a

ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en

b

geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en

c

geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld,

heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.

Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag

1

In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat.

2

Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.

Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever

1

De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:

Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005

Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd

56

6,9

57

8,0

58

9,4

59

11,3

60

14

61 of ouder

16

2

De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.

3

a

De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren

I

vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;

II

na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.

b

Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.

Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

1

Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

2

Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.

3

a

de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren:

I

vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;

II

na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.

b

Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.

Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

1

Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

2

Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.

3

De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren:

a

vóór of op 1 april 1947: 60 jaar

b

na 1 april 1947: 61 jaar

Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten

1

Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van:

a

de FPU-uitkering;

b

de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11;

c

de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11;

d

de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.

2

De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.

3

De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.

4

Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.

5

Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.

Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever

Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.

Artikel 5a:6 Pensioenopbouw

De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.

Artikel 5a:7 Lokaal beleid

Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.

Artikel 5a:8 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan

Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings) verlof

Klik hier voor hoofdstuk 6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings) verlof van de UWO-II.

Artikel 6:1 Recht op vakantie

In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.

Artikel 6:1:1 Vakantieverlening

1

De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.

2

De vakantie wordt verleend door het college.

Artikel 6:2 Duur vakantie

1

De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.

2

Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

3

Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Artikel 6:2:1 Nadere regels

1

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.

2

De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.

3

Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.

4

De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.

5

In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.

6

Vervallen.

7

Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.

Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode

1

De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.

2

De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.

3

De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.

Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid

1

De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.

2

Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.

3

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:

a

gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de ambtenaar;

b

in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste oefening;

c

indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing gelaten.

Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft hervat.

4

Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.

5

Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.

Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang

1

Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.

2

Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.

Artikel 6:2:5 Intrekking

1

Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.

2

Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.

Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie

1

Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:

a

op verzoek van de ambtenaar;

b

als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of

c

als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening,

wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.

2

De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.

3

Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.

Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking

Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.

Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage

1

De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.

2

De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.

Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage

1

De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.

2

a

Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;

b

Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.

3

Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4

Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.

Artikel 6:4 Buitengewoon verlof

1

De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.

2

In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.

3

In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.

4

In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.

Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof

1

Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.

2

De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.

Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof

1

De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.

2

Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.

3

De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.

4

De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.

5

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

6

De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.

7

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.

Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof

1

Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:

a

Centrales van overheidspersoneel:

1

de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);

2

de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP);

3

de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).

b

Verenigingen van ambtenaren:

de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.

2

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar:

a

voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;

b

voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad;

c

voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.

3

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:

a

om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;

b

voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.

4

Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.

5

Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:

a

lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten;

b

lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.

6

Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.

7

Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.

8

Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.

Artikel 6:4:2a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof

1

De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.

2

Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.

3

Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.

4

Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.

Artikel 6:4:4 Non-activiteit

1

Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.

2

Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

3

Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.

Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof

Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.

Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof

1

Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.

2

Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie

Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.

Artikel 6:5 Ouderschapsverlof

1

De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.

2

Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens:

a

schaal 1:

90%;

b

schaal 2:

85%;

c

schaal 3:

80%;

d

schaal 4:

70%;

e

schaal 5:

60%;

f

schaal 6 en hoger:

50%.

3

Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

4

Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

Artikel 6:5:1 Voorwaarden

De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.

Artikel 6:5:2 Meerlingen

1

Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.

2

De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.

Artikel 6:5:3 Ziekte

1

Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.

2

De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.

Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage

1

De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.

2

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

3

De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.

4

Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.

Artikel 6:5:5 Terugbetaling

1

De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.

2

Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:

a

het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente;

b

en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.

3

De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.

4

De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.

Artikel 6:5:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling

Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.

Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof

1

De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien:

a

hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en

b

hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente.

2

De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.

3

De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.

4

Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

5

Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.

6

Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

Artikel 6:5a:1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof

Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof

1

De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige bezoldiging.

2

De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

3

De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

4

Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.

Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof

1

De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.

2

De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

3

De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

4

Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.

5

Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.

Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling

1

De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.

2

De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.

3

Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.

4

Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.

5

De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.

6

Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.

7

Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.

8

Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.

9

Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.

Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof

1

De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.

2

Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.

3

Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.

4

Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:11 Samenloop met ziekte

1

Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.

2

Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.

Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof

Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

6a De gemeentelijke levensloopregeling

Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a

gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;

b

instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;

c

levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

d

levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

e

levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.

Artikel 6a:2 Doel

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling

1

De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.

2

Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.

3

Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling

1

De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.

2

De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.

3

De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.

4

De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 6a:5 Inleg

1

De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.

2

De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.

3

De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.

Artikel 6a:6 Bronnen

De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:

a

het salaris;

b

de vakantietoelage;

c

de eindejaarsuitkering;

d

de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;

e

de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1;

f

het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3, lid 3.

Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage

1

De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.

2

In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.

3

De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.

4

De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

5

Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

6

De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 6a:7a Uitbetaling levensloopbijdrage 2008

De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar 2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment van juli naar december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met december 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling

1

Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden

2

Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:

a

bij overlijden van de ambtenaar;

b

bij ontslag van de ambtenaar;

c

op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed

1

Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:

a

ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6;

b

ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.

2

Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

3

Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.

4

Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.

Artikel 6a:10 Slotbepaling

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.

Artikel 6a:11 Vervallen

(Vervallen)

7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek

7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek

Klik hier voor hoofdstuk 7 Verzuimprotocol van de UWO-II.

Artikel 7:1 Definities

1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a

passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

b

werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

c

scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

d

arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:

-

de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;

-

in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;

en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;

e

restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;

f

arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

g

inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente;

h

postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;

i

geselecteerde zorgverzekeraar: Als geselecteerde zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar NV.

2

Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.

Artikel 7:2:1 Arbo-dienst

De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.

Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

1

De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.

2

De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen regels.

Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar

De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.

Artikel 7:2:4 Periodiek geneeskundig onderzoek

De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.

Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek

1

Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:

a

indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

b

indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.

2

De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.

Artikel 7:2:6 Buitendienststelling

1

Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.

2

Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.

3

Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.

Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar

1

Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.

2

De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 7:3 Recht op bezoldiging

1

De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.

2

De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.

3

De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.

4

De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging

5

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.

6

De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij:

a

zijn arbeid verricht;

b

passende arbeid verricht;

c

werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;

d

scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.

7

De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

8

De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.

9

De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.

10

De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.

11

Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

12

De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.

13

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.

14

Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.

Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof

1

De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

2

De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

1

Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.

2

De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

80% of meer:

95%

65 tot 80%

68,875%

55 tot 65%

57%

45 tot 55%

47,5%

35 tot 45%

38%

3

De aanvullende uitkering eindigt:

a

indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of;

b

met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

4

De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

1

Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

2

Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.

Artikel 7:8 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen

Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging

Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a

1

De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.

2

De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.

Artikel 7:9 Verplichtingen college

1

Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.

2

Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.

3

Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

4

Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte

De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie

1

De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:

a

gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;

b

zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

c

zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.

2

Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.

Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek

1

De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen:

a

of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte;

b

in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;

c

of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt;

d

of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;

e

of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

f

of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;

g

wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden hervat.

2

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.

Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging

Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:

a

indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

b

indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de bezoldiging

1

De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

a

weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen;

b

blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen;

c

blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard;

d

zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

e

er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

f

tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;

g

weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;

h

zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

i

weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

2

De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.

Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar

1

De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.

2

De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

a

weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;

b

weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b.

c

weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.

3

De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.

Artikel 7:15:1 Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar

1

Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.

2

Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.

Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid

1

Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen:

a

door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

b

door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

c

bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.

2

Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.

3

Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.

4

Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.

5

Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.

6

Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

7

Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

8

De termijn van 24 maanden wordt verlengd:

a

met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

b

met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

9

De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.

Artikel 7:17 Terugkeer in betrekking na ziekte

1

Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.

2

Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.

3

De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen.

Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging.

Artikel 7:18:1 Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging

1

Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.

2

Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7:19 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering

1

Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

2

Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

3

Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

4

De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.

5

Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.

Artikel 7:20 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering

Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

Artikel 7:21 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van de WIA

1

Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.

2

Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging wordt doorbetaald.

3

Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

4

Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

5

Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.

6

De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.

Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement

Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:23 WAJONG/WAZ

Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.

Artikel 7:23:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:24 Zorgverzekering

De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven met IZA Zorgverzekeraar NV een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten

1

De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als een aanvullende Classic- of Perfectverzekering bij IZA Zorgverzekeraar NV heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten.

2

De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.

3

Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in ziektekosten.

Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming

1

De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.

2

De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.

3

De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.

4

De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.

Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden

Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar is verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.

Artikel 7:25b Inhouding ziektekostenpremies

Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de geselecteerde zorgverzekeraar worden door het college op de bezoldiging van de desbetreffende ambtenaar ingehouden en afgedragen aan de geselecteerde zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de geselecteerde zorgverzekeraar heeft meegedeeld hiertegen bezwaar te hebben, of tenzij de som van de af te dragen premies hoger is dan de netto bezoldiging van de ambtenaar.

Artikel 7:25:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:26 Overgangsbepaling

1

Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.

2

De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.

Artikel 7:27 Garantie-uitkering

1

De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.

2

De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke betrekking.

3

Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.

4

Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.

5

De garantie-uitkering eindigt:

a

met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;

b

bij ontslag.

Artikel 7:28 Overgangsartikel

1

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.

2

Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op , van toepassing.

3

Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.

4

Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .

5

Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 7:28:1 Overgangsartikel

1

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.

2

Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op , van toepassing.

Artikel 7:28a Overgangsartikel

1

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.

2

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is , van toepassing.

Artikel 7:28b Overgangsartikel

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.

8 Ontslag

Artikel 8:1 Ontslag op verzoek

1

Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.

2

Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

3

Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.

Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek

1

Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

2

Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.

3

Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.

Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd

1

De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

2

Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de 65-jarige leeftijd bereikt.

3

Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken

Artikel 8:2:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:2a Ontslag wegens ouderdomspensioen

De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de leeftijd van 65 jaar in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, derde lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.

Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie

1

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

2

Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

3

Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.

Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie

Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.

Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid

1

Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:

a

arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering;

b

arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.

2

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

3

Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.

4

Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

5

Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag.

6

Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

7

Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

8

Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

9

Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

10

De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd:

a

met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

b

met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

1

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

2

Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien:

a

er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;

b

het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.

3

Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

4

Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.

5

Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

6

Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

7

Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

8

Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

9

De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd

a

met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

b

met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

10

Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.

Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid

1

De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

a

gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;

b

arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;

c

zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;

d

een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.

2

Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.

Artikel 8:5:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid

1

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

2

Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:7 Overige ontslaggronden

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:

a

verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de betrekking geldt;

b

aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de betrekking zou uitsluiten;

c

staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

d

toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

e

onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

f

het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden

Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.

Artikel 8:8 Overige ontslaggronden

1

Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

2

Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden

De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.

Artikel 8:9 Overige ontslaggronden

Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.

Artikel 8:10 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:10:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU

1

Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling.

2

Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur.

Artikel 8:11:1 Ontslag wegens FPU

1

Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling bestaat.

2

Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding

1

De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

2

De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.

3

De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.

4

De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.

5

Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.

6

Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.

Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding

1

De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

2

De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd

1

Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:

a

van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;

b

van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;

c

van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.

2

Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.

Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf

Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties

1

In dit artikel wordt verstaan onder:

a

wet:Wet op de ondernemingsraden;

b

ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;

c

ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.

2

Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:

a

wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;

b

wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;

c

wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet;

d

van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad;

e

van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.

3

Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.

4

In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.

5

Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.

Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel

1

Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst:

a

wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

b

wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;

c

wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;

d

in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

2

Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

a

een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

b

een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;

c

een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel

1

Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.

2

Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.

3

Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.

4

De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.

5

De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.

Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening

1

Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.

2

Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.

3

Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.

Artikel 8:16:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering

1

De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.

2

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de vakantietoelage. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per maand. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

3

Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

4

Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering

1

Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het college dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.

2

Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning behouden.

Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst

1

Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen.

2

De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.

3

Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd, met een minimum van één jaarbezoldiging.

Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur

Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.

Artikel 8:18 Overgangsbepaling

1

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

2

Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op , van toepassing.

3

Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a , is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

4

Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op , van toepassing.

Artikel 8:19 Overgangsbepaling

1

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.

2

Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, , van toepassing.

Artikel 8:20 Overgangsbepaling

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op .

10d Voorzieningen bij werkloosheid

Artikel 10d:1 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.

Artikel 10d:2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a

aanvullende uitkeringde uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;

b

bezoldiginghet gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de datum van de reïntegratiefase, vermeerderd met de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering; deze bezoldiging wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector;

c

gemeentelijke sectorde gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;

d

na-wettelijke uitkering de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;

e

reïntegratiefasede fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een reïntegratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de reïntegratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk is te voorkomen;

f

reïntegratieplanhet plan van aanpak waarin de reïntegratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de reïntegratie van de ambtenaar te bevorderen;

g

werkloosheidwerkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente waaruit de werkloosheid plaatsvindt;

h

werkloosheidsuitkeringuitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.

Artikel 10d:3 Samenloop met sociaal statuut en sociaal plan

1

Indien lokaal ruimere afspraken gelden, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en GO of tot herziening moet worden overgegaan van deze lokale afspraken.

2

Indien lokaal ruimere afspraken gelden, gelden deze lokale afspraken in plaats het gestelde in dit hoofdstuk.

Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8

1

Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het college een passende regeling.

2

De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college gehoord.

3

Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

Artikel 10d:5 Reïntegratiefase voor ontslag

1

De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:3 of 8:6 heeft recht op een reïntegratiefase.

2

De reïntegratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:3 of 8:6.

3

De reïntegratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag.

4

De reïntegratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de reïntegratiefase.

5

Bij ontslag op grond van artikel 8:3

duurt de reïntegratiefase

bij een dienstverband van:

a. 7 maanden

2 tot 10 jaar

b. 11 maanden

10 tot 15 jaar

c. 15 maanden

15 jaar of meer.

6

Bij ontslag op grond van artikel 8:6

duurt de reïntegratiefase

bij een dienstverband van:

a. 4 maanden

2 tot 10 jaar

b. 8 maanden

10 tot 15 jaar

c. 12 maanden

15 jaar of meer.

Artikel 10d:6 Einde reïntegratiefase

1

De reïntegratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.

2

De reïntegratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:3 of 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het reïntegratieplan. Het college neemt hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht.

3

Indien de reïntegratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering. Het college neemt hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht.

Artikel 10d:7 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente

1

De reïntegratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het reïntegratieplan.

2

De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke reïntegratiefase.

3

Tijdens de verlengde reïntegratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.

4

Tijdens de verlengde reïntegratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het reïntegratieplan van kracht.

Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase door middel van levensloop

1

De ambtenaar kan het college verzoeken de reïntegratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.

2

Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de reïntegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn reïntegratieverplichtingen en indien:

a

onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en

b

de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en

c

tijdens de verlengde reïntegratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de reïntegratie bevorderen.

3

Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reïntegratieplan, tijdens de verlenging van de reïntegratiefase worden voortgezet.

4

Artikel 10d:6 is tijdens de verlenging van de reïntegratiefase van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10d:9 Reïntegratieplan

1

Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de reïntegratiefase een reïntegratieplan op.

2

De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord.

3

In het reïntegratieplan worden afspraken opgenomen over de reïntegratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het reïntegratieplan staan in ieder geval afspraken over:

-

verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het reïntegratieplan;

-

scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten.

-

opstellen arbeidsmarktprofiel;

-

sollicitatieactiviteiten.

4

In het reïntegratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het reïntegratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het reïntegratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.

Artikel 10d:10 Aanvullende uitkering bij ontslag

1

Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:

a

op grond van artikel 8:3 of 8:6 is ontslagen;

b

de reïntegratiefase heeft doorlopen, zonder toepassing van artikel 10d:6, tweede lid;

c

recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk ontvangt.

2

Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.

Artikel 10d:11 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag

1

De aanvullende uitkering kent twee fases.

2

Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:

a

voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

b

voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

c

voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

3

Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:

a

voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

b

voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

c

voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

Artikel 10d:12 Duur aanvullende uitkering bij ontslag

1

De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.

2

De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.

Artikel 10d:13 Sancties

1

Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.

2

Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.

3

Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het college besluiten om het recht op nawettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.

4

Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.

Artikel 10d:14 Einde aanvullende uitkering

De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.

Artikel 10d:15 Na-wettelijke uitkering

1

De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering indien:

a

de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt;

b

hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.

2

Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.

Artikel 10d:16 Hoogte na-wettelijke uitkering

1

De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.

2

Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

3

De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:17 Duur na-wettelijke uitkering

De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is

a

1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar

b

2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar

c

3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.

Artikel 10d:18 Einde na-wettelijke uitkering

1

De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is verstreken.

2

De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.

3

De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden bereikt heeft.

Artikel 10d:19 Sancties na-wettelijke uitkering

Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:20 Afkoop

1

Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.

2

Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.

Artikel 10d:21 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

1

De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is vastgesteld.

2

Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.

Artikel 10d:22 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

1

De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.

2

Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.

Artikel 10d:23 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de nieuwe arbeid.

Artikel 10d:24 Overgangsrecht

In afwijking van artikel 10d:17 is de duur van de na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar die:

a

op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector en

b

ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008

gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.

12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel

12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel

Klik hier voor hoofdstuk 12 Georganiseerd overleg van de UWO-II.

Artikel 12:1 Algemene bepalingen

1

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a

de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor georganiseerd overleg;

b

de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;

c

de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

2

Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.

3

Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen worden.

4

De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.

5

Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.

6

Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief geacht worden.

Artikel 12:1:1 Samenstelling

1

Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te zijn.

2

Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.

Artikel 12:1:2 Samenstelling

1

Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan college opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.

2

Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.

Artikel 12:1:3 Samenstelling

1

Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.

2

Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.

3

De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.

Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO

1

Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.

2

Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.

Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO

1

Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.

2

Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:

a

de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;

b

de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord;

c

de personele gevolgen van die verandering.

3

Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.

Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden

1

De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.

2

Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor georganiseerd overleg.

3

De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.

Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden

Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.

Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden

1

De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het college.

2

Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.

3

De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.

Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden

1

De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.

2

De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.

3

Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12:2:4 Vergaderingen

1

De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem te bepalen tijdstippen.

2

Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.

Artikel 12:2:5 Vergaderingen

1

De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen onderwerpen.

2

Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.

3

Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.

Artikel 12:2:6 Vergaderingen

Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.

Artikel 12:2:7 Vergaderingen

1

De vergaderingen zijn niet openbaar.

2

De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.

3

De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.

4

De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.

Artikel 12:2:8 Vergaderingen

De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen tijd.

Artikel 12:2:9 Vergaderingen

1

Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.

2

De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

3

De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.

4

Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.

Artikel 12:2:10 Vergaderingen

Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.

Artikel 12:2:11 Vergaderingen

Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.

Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.

Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie

Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 wordt verstaan onder:

a

deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde lid;

b

advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.

Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie

Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie

1

Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.

2

Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.

3

Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.

4

Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.

Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie

1

Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.

2

Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:

a

het onderwerp en de inhoud van het geschil;

b

de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.

Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie

Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.

Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie

De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende kracht.

Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie

In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.

13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR

Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR

1

Deze regeling treedt in werking per............ (*1)

Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.

2

Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.

3

Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.

4

In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.

Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige betrekking bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1 januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.

Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.

14 Medezeggenschap

14 Medezeggenschap

Klik hier voor hoofdstuk 14 Medezeggenschap van de UWO-II.

Artikel 14:1 Medezeggenschap

Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal zittingstermijnen.

Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers

Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.

15 Overige rechten en verplichtingen

15 Overige rechten en verplichtingen

Klik hier voor hoofdstuk 15 Overige rechten en verplichtingen van de UWO-II (Regeling functioneringsbeoordeling, Kledingregeling, Vergoedingsregeling van kosten bij dienstreizen, Regeling integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2008).

Artikel 15:1 Verplichtingen

De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 15:1a Verplichtingen

De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.

Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten

Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:

a

diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;

b

aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;

c

gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn betrekking ter kennis is gekomen.

Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden

Het is de ambtenaar verboden:

a

in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;

b

steekpenningen aan te nemen.

Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen

1

De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.

2

Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.

Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden

1

De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.

2

Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven.

3

Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

4

Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.

Artikel 15:1f Melding financiële belangen

1

Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is.

2

De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.

3

Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede lid.

4

Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst

1

Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.

2

Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.

Artikel 15:1:9 Vervallen

(Vervallen)

De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met 15:1e

Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g

Artikel 15:1:10 Plicht tot aanvaarden andere betrekking

1

De ambtenaar is verplicht - nadat hij is gehoord - een andere betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

2

Indien het college dit in het dienstbelang nodig acht is de ambtenaar verplicht om:

a

tijdelijk niet tot zijn betrekking behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere betrekking waar te nemen;

b

tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden;

c

zich buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden ter beschikking te houden. Voor het gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.

3

Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij - onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen - daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.

4

De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is.

5

Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.

Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden

1

De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.

2

De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet veiligheidsregio’s.

3

In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.

4

De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.

5

De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.

Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade

1

De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.

2

Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.

Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar

1

De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.

2

Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.

3

De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn betrekking wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.

Artikel 15:1:14 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar

1

Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.

2

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.

Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding

1

De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking de door het college voor die betrekking of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.

2

Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college toestemming is gegeven.

3

Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.

4

Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde kleding.

Artikel 15:1:17 Standplaats

1

Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.

2

Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.

3

Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere regels stellen.

Artikel 15:1:18 Dienstwoning

1

De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.

2

Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.

Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein

Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.

Artikel 15:1:20 Infectieziekten

1

De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektewet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.

2

De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.

3

De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn betrekking te vervullen, zijn volledige bezoldiging.

Artikel 15:1:21 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfkosten

1

De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten ter zake van reizen in het belang van de dienst.

2

Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de daarvoor door het college gestelde regelen.

Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade

1

Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.

2

Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, tenzij:

a

die schade bestaat uit de normale slijtage of;

b

er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of;

c

de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.

Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig

Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.

Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling

Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.

Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding

De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.

Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding

Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.

Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties

Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van:

a

extra verlof;

b

gratificatie.

Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen

Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.

Artikel 15:1:30 Borstvoeding

Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.

Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke organisatie

De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.

Artikel 15:2 Klokkenluiders

1

Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van misstanden.

2

Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld worden.

Artikel 15:3 Vervallen

(Vervallen)

16 Disciplinaire straffen

Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim

1

De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.

2

Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen

1

Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende disciplinaire straffen worden toegepast:

a

schriftelijke berisping;

b

arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;

c

vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;

d

geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar;

e

niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand;

f

stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de betrekking daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren;

g

vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

h

plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;

i

schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van bezoldiging.

2

De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde betrekking.

3

Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

Artikel 16:1:3 Verantwoording

1

De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.

2

Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.

3

Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

Artikel 16:1:4 Verantwoording

De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het schriftelijk besluit tot strafoplegging.

Artikel 16:1:5 Verantwoording

De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

17 Opleiding en ontwikkeling

17 Opleiding en ontwikkeling

Klik hier voor hoofdstuk 17 Opleiding en ontwikkeling van de UWO-II.

Artikel 17:1:1 Persoonlijk ontwikkelingsplan

1

Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.

2

Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.

3

Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde opleidingsplan.

4

De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.

5

In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.

6

In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:

-

de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten;

-

de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;

-

de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;

-

de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt;

-

de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;

-

de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;

-

eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.

Artikel 17:2 Loopbaanadvies

De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.

Artikel 17:3 Inzetbaarheid

1

In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zonodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.

2

Het college past voor de ambtenaar van 62 tot 65 jaar, binnen de mogelijkheden van de fiscale wetgeving, een ‘premiekorting in dienst hebben oudere werknemers’ toe. Het bedrag van de korting wordt gebruikt voor verhoging van de inzetbaarheid van de ambtenaar. Het college en de ambtenaar bepalen in overleg de besteding van het bedrag.

18 Verplaatsingskosten

18 Verplaatsingskosten

Klik hier voor hoofdstuk 18 Bedrijfsvervoersplan en Verhuiskostenregeling van de UWO-II.

Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen

1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a

betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR;

b

woongebied: een door het college aan te wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;

c

standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;

d

gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner voor zover zij samenwonen;

e

eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde gezag;

f

berekeningsbasis: het twaalfvoud van de bezoldiging – in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is – die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd met:   

1

genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;

2

genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9 of het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering;

3

genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het pensioenreglement;

g

berekeningstijdstip: 1e datum waarop de betrokkene verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling; 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd genoten;

h

verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;

i

verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;

j

dienstwoning: de door het bevoegde gezag aan de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen woning.

2

Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten

1

De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.

2

De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.

3

De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is.

Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten

1

De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.

2

Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.

3

Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.

4

Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.

Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten

Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.

Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten

1

De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:

a

een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken;

b

een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 286,10 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt verleend;

c

een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van € 5.721,52.

2

Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.

3

Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis.

4

Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.

Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer

1

De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten.

2

Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.

3

Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4

Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.

Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming

1

De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.

2

De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van € 3.540 per jaar.

3

De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 95,62 op jaarbasis.

4

De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,16 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele reis.

5

De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.

Artikel 18:1:7a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon-werkverkeer

Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.

Artikel 18:1:9 Pensionkosten

1

De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.

2

De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste klasse.

Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten

1

De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.

2

Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.

3

Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.

Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten

1

De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.

2

Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.

Artikel 18:1:12 Voorschot

Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen.

Artikel 18:1:13 Slotbepaling

Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid voorzien.

Artikel 18:1:14 Overgangsrecht

De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.

21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen

Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.

Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot

De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen "levenspartner".

Artikel 21:1:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot

In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet, treft het college een passende voorziening.

22 Overgangs- en slotbepaling UWO

Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO

1

Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.

2

Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.

3

Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.

UWO-II (Specifieke regelingen gemeente Haarlemmermeer)

(Specifieke regelingen gemeente Haarlemmermeer)

De UWO-II heeft als basis de op 20 januari 1998 door B&W vastgestelde nota Integrale aanpassing ambtelijke rechtspositie. Met dit besluit kreeg alle lokale regelgeving van de gemeente Haarlemmermeer een plaats in de UWO-II.

De volgende B&W-besluiten zijn sinds 1998 in de UWO-II verwerkt:

Datum besluit

Onderwerp

B&W

22-09-1998

Wijziging 1%-regeling ziektekosten

B&W

02-03-1999

Wijziging rechtspositie 24-uursdienst BAD

B&W

27-04-1999

Evaluatie en aanpassing systeem van functioneringsbeoordeling

B&W

26-10-1999

Aanpassing hoofdstuk 7 CAR/UWO-I: ziekte en arbeidsongeschiktheid

B&W

30-11-1999

Arbeidsvoorwaardenakkoord 1999-2000

B&W

02-05-2000

Verhuiskostenvergoeding

B&W

27-06-2000

Bijzondere bepalingen 24-uursdienst Brandweer, Aanpassing ORT

B&W

28-12-2000

Modernisering UWO-II

Raad

08-02-2001

Buitengewoon opsporingsambtenaar/parkeercontrole/aanpassing UWO-II

B&W

04-04-2001

Hoofdstuk 18 UWO-II: verplaatsingskosten

B&W

21-08-2001

Sociaal Statuut 1993 en 1999 en de invoering van de WW per 1 januari 2001

B&W

13-11-2001

Vaststelling UWO-II integrale versie oktober 2001

B&W

05-12-2001

Aanpassing UWO-II overschrijven verlof t.b.v. afdeling Realisatie/Toezicht

B&W

08-01-2002

Aanpassing max. bedragen jubileum, afscheid, gratificatie en wervingspremie

B&W

07-03-2002

Richtlijnen Klokkenluiders

B&W

24-09-2002

Wijzingen Fiets, carpoolregeling, arbeidsmarkttoelage, verlof op 5, 24 en 31 december e.a.

B&W

16-09-2003

Buitengewoon verlof op 5, 24 en 31 december (max. 2 uur van verlofkaart)

B&W

06-01-2004

Reglement Planning, functioneren en beoordelen

B&W

02-03-2004

Carpoolbepaling en stageregeling

B&W

02-03-2004

Periodieke verhoging en uitlooptoelage

B&W

01-04-2004

Kilometervergoeding dienstreizen en auto noodzaak

B&W

05-2004

Kilometervergoeding bij dienstreis met eigen fiets of bromfiets

B&W

01-06-2004

Ongewenste omgangsvormen

B&W

13-07-2004

Buitengewoon verlof, niet op verzoek van de ambtenaar

B&W

17-08-2004

Regeling tegemoetkoming Kinderopvang

B&W

19-04-2005

Deblokkering Spaarloon

B&W

15-06-2005

Aanpassing hoofdstuk 17 Opleiding en Ontwikkeling

B&W

19-07-2005

Aanpassing Internet-, Emailprotocol

B&W

10-01-2006

Ziekteverzuimprotocol hoofdstuk 7 UWO-II

B&W

24-03-2006

Aanpassingen UWO II (vakbondscontributie, ontslagvolgorde, bezwarencie, 1%regeling vervallen, regeling organieke fube en fuwa vervallen)

B&W

16-08-2006

Regeling integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2006

B&W

24-04-2007

Aanpassing Reglement ongepaste omgangsvormen (hoofdstuk 41A) Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid (hoofdstuk 41B)

B&W

10-07-2007

ICT-protocol (hoofdstuk 40)

B&W

06-11-2007

Bezwarende functies art. 9:1:9:1

B&W

11-12-2007

Aanpassingen UWO II (o.a. aanpassingen hfd 7, 38 vervallen hoofdstuk 31 muv hardheidsbeginsel, vervallen hoofdstuk 35

B&W

11-03-2008

Regeling integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2008

B&W

12-02-2008

Saldering kilometervergoeding (bij autonoodzaak) en 0,37 bruto (ipv 0,28 netto)

B&W

22-04-2008

Periodiekdatum 1 januari

B&W

16-05-2008

diverse tekstuele wijzigingen ivm nieuwe topstructuur ambtelijke organisatie per 1 april 2008

B&W

07-10-2008

Vervallen BRW, technische wijzigingen (spaarloon, uitlooptoelage, beoordeling)

B&W

24-03-2009

Dienstreis met dienstauto rittenadministratie

B&W

09-06-2009

Regeling beschikbaarheidsdienst (artikel 3:3:1:1 e.v.)

B&W

23-06-2009

Regeling fube/fuwa, plann/funct-verslag door mdw, kledingregeling

B&W

25-08-2009

Verhuiskosten, spaarloon, artikelen met titels etc.

B&W

24-11-2009

Stagevergoeding

B&W

02-03-2010

Regionale piketdiensten

B&W

30-11-2010

Stage, pauze, beoordelaar, persoonlijke toelage, wervingspremie

B&W

07-12-2010

Kledingregeling

B&W

05-04-2011

Kaders besteding premiekorting oudere werkgever

B&W

10-05-2011

Gedragscode Integriteit Haarlemmermeer

B&W

13-09-2011

Thuiswerkregeling

B&W

15-11-2011

Reglement plannen, functioneren en beoordelen

B&W

22-11-2011

Cafetariaregeling

B&W

04-10-2011

Technische wijzigingen (BVP, SocSt, bbhd, uitl.toel., pers.toel., prem.kort., BABS)

Wat betreft hoofdstukindeling en artikelnummering is aansluiting gezocht bij de CAR/UWO (Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst). De hoofdstukken met nadere regelgeving betreffende onderwerpen die geregeld zijn in de CAR/UWO corresponderen wat betreft naam en nummer met het desbetreffende hoofdstuk van de CAR/UWO.

De Haarlemmermeerse regelingen die niet hun basis hebben in de hoofdstukken van de CAR/UWO, zijn ondergebracht in hoofdstuk 30 e.v. Hiervoor is gekozen vanwege het onderscheidend vermogen. Aan een hoofdstuk- of een artikelnummer is nu te zien of er over het onderwerp ook bepalingen te vinden zijn in de CAR/UWO. Vanwege deze nieuwe systematiek is bijvoorbeeld de Spaarloonregeling van hoofdstuk 21 naar hoofdstuk 30 verhuisd. Ook is ervoor gekozen om een aantal regelingen die voorheen geen deel uitmaakten van de UWO-II, op te nemen. Zo hebben o.a. de Gedragscode Integriteit en het Protocol gebruik internet en intranet ook een plaats gevonden in de UWO-II.

HRM augustus 2009

1 Algemene bepalingen UWO-II

Artikel 1:1:1:1 Wel ambtenaar

Voor de toepassing van deze UWO-II wordt verstaan onder ambtenaar:

-

de ambtenaar zoals omschreven in artikel 1:1 CAR/UWO.

Artikel 1:2:1:1 Geen ambtenaar

Naast hetgeen is bepaald in artikel 1:2 CAR/UWO wordt, voor de toepassing van de CAR/UWO, niet als ambtenaar beschouwd:

-

diegene, in dienst bij een derde, die is aangesteld als onbezoldigd ambtenaar.

3 Bezoldigingsverordening UWO-II

Artikel 3:0:1:1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

a

salaris: het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder b, van de CAR/UWO;

b

uurloon: het uurloon als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder o, van de CAR/UWO;

c

schaal: de schaal als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder a, van de CAR/UWO, opgenomen in bijlage IIa van die regeling;

d

maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal;

e

bezoldiging: de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid onder c, van de CAR/UWO;

f

betrekking: de betrekking als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder b, van de CAR/UWO;

g

conversie: de vertaling van het door functiewaardering vastgestelde aantal punten in een salarisschaal;

h

volledige betrekking: de volledige betrekking als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder k, van de CAR/UWO;

i

overwerk: het overwerk als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid onder l, van de CAR/UWO.

Artikel 3:0:1:2 Recht op salaris

Het recht op salaris vangt aan met de dag waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het salaris aan met de dag waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden.

Het recht op salaris eindigt in geval van ontslag met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.

Artikel 3:0:1:3 Gebroken tijdvakken

Wanneer het salaris of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand.

Artikel 3:0:1:4 Onvolledige betrekking

Het salaris van een ambtenaar met een onvolledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking.

Artikel 3:0:1:5 Salarisbedragen

De salarissen van de ambtenaren wier salaris niet bij of krachtens wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen zoals opgenomen in bijlage IIa van de CAR/UWO.

Artikel 3:0:1:6 Functie/aanlooprang, vaste periodiekdatum

-

Burgemeester en wethouders bepalen met inachtneming van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek en aan de hand van de vastgestelde conversie de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, tenzij zijn wijze van functioneren zich daartegen verzet of geacht mag worden daartoe aanleiding te geven. In dat geval vindt aanstelling als regel plaats in de naast lagere schaal.

-

Bij gebleken voldoen aan de functie-eisen stellen burgemeester en wethouders de ambtenaar per de eerstvolgende periodiekdatum aan in de voor zijn functie geldende schaal.

In afwijking van lid 1 zal bij indiensttreding dan wel overplaatsing in een hoger gewaardeerde functie op of na 1 oktober van enig kalenderjaar en bij gebleken voldoen aan de functie-eisen, aanstelling in de voor de functie geldende rang plaatsvinden op 1 januari nadat het dienstverband in die functie een vol kalenderjaar heeft geduurd.

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode.*1

Anders dan bij het aanvaarden van passende arbeid bij arbeidsongeschiktheid voor de functie, dan wel bij wijze van disciplinaire straf als bedoeld in de CAR/UWO, kan zonder voorafgaand ontslag uit de functie voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal.*2

*1 De gemeente Haarlemmermeer hanteert de Hay-methode.*2 Bij een vrijwillige overstap naar een functie met een lager salaris dient de medewerker te beseffen dat zijn salaris overeenkomstig zal worden aangepast.

Artikel 3:0:1:7 Periodieke verhoging van het salaris

Het salaris van de ambtenaar die voldoende functioneert, wordt binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag. Het voldoende functioneren moet blijken uit een beoordelingsgesprek (eindoordeel C of D).

Het salaris van de ambtenaar wiens functioneren op onderdelen verbetering behoeft, kan binnen de voor hem geldende salarisschaal met een periodiek verhoogd worden tot het naasthogere bedrag. Dit functioneren moet blijken uit een beoordelinggesprek (eindoordeel B).

De periodieke verhogingen worden, met inachtneming van hetgeen is bepaald in lid 1 en lid 2, jaarlijks op 1 januari toegekend aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt.

In afwijking van lid 3 zal bij indiensttreding dan wel overplaatsing in een hoger gewaardeerde functie op of na 1 oktober van enig kalenderjaar de eerste toekenning van de periodiek plaatsvinden op 1 januari nadat het dienstverband in die functie een vol kalenderjaar heeft geduurd.

Een verhindering wegens ziekte als bedoeld in dit hoofdstuk zal niet van invloed zijn op het tijdstip van toekenning van periodieke salarisverhogingen indien het laatste beoordelingsgesprek tot een voldoende beoordeling leidde (eindoordeel C of D).

Artikel 3:0:1:8 Extra periodieke verhoging van het salaris

Aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, kan een extra periodieke salarisverhoging tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet uitgaande boven het maximumsalaris, worden toegekend op grond van zeer goede of uitstekende vervulling van de betrekking.

Bij de toepassing van het vorige lid blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 3:0:1:7 een salarisverhoging wordt toegekend onverlet.

Artikel 3:0:1:9 Geen periodieke verhoging

Indien een ambtenaar blijkens een beoordelingsgesprek als eindoordeel A (voldoet niet aan de gewenste eisen) scoort, blijft de in artikel 3:0:1:7 bedoelde salarisverhoging achterwege.

Indien de ambtenaar blijkens een beoordelingsgesprek als eindoordeel B (verbetering op onderdelen nodig) scoort, kan worden bepaald dat voor hem de in artikel 3:0:1:7 bedoelde salarisverhoging achterwege wordt gelaten.

Nadien kan worden bepaald dat de salarisverhoging welke met toepassing van het eerste of tweede lid achterwege is gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht alsnog wordt toegekend.

Van een beslissing tot toepassing van het eerste of tweede lid wordt de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen welke tot de beslissing hebben geleid.

Artikel 3:0:1:10 Salaris bij bevordering naar hogere schaal

Wanneer de ambtenaar wordt bevorderd naar een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, wordt het salaris in de nieuwe schaal minimaal verhoogd met het bedrag waarop de ambtenaar bij zijn eerstvolgende periodieke verhoging in zijn oude rang recht zou hebben gehad. Indien de ambtenaar voor de bevordering salaris, behorend bij het maximum van de rang, ontvangt, wordt het salaris in de nieuwe rang minimaal bepaald op het huidige salaris verhoogd met het bedrag van de laatste periodieke verhoging.

Artikel 3:0:1:11 Collectieve gratificatie

Aan een groep ambtenaren die een uitstekende collectieve prestatie hebben geleverd, kan een collectieve gratificatie worden toegekend.

Artikel 3:0:1:12 Tijdelijke persoonlijke toelage

Aan een ambtenaar kan een tijdelijke persoonlijke toelage worden toegekend vanwege een verwachte extra inzet van de ambtenaar.

De duur waarvoor de persoonlijke toelage wordt toegekend wordt van tevoren vastgesteld en is maximaal 2 jaar.

De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt maximaal het verschil tussen de functierang van de door de medewerker vervulde functie en één rang hoger.

Artikel 3:0:1:13 Persoonlijke toelage na bereiken maximum functionele schaal

Toekenning van de persoonlijke toelage zoals genoemd in artikel 3:7:8 van de CAR/UWO kan slechts plaatsvinden indien de ambtenaar gedurende meerdere jaren uitstekend heeft gefunctioneerd.

De in het eerste lid bedoelde toelage wordt bepaald aan de hand van de methodiek van artikel 3:0:1:10.

Artikel 3:0:1:14 Arbeidsmarkttoelage

Aan de ambtenaar kan om redenen van werving of behoud een toelage worden toegekend.

De duur waarvoor de arbeidsmarkttoelage wordt toegekend wordt van tevoren vastgesteld en is maximaal 2 jaar.

De hoogte van de toelage als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal het verschil tussen het salaris conform de functieschaal en de naasthogere schaal.

De toelage als bedoeld in het eerste lid eindigt op de ingevolge het tweede lid vastgestelde vervaldatum. Wanneer de arbeidsmarktsituatie waarop de toelage is gebaseerd nog steeds bestaat, kan opnieuw een toelage als bedoeld in het eerste lid aan de ambtenaar worden toegekend.

De toelage kan eerder eindigen dan de vastgestelde einddatum indien het functioneren van de ambtenaar voortzetting niet langer rechtvaardigt, hetgeen blijkt uit functioneringsgesprekken dan wel beoordelingsgesprekken.

Artikel 3:0:1:15 Geen afbouwregeling

Bij het beëindigen van instrumenten van flexibele beloning als bedoeld in de artikelen 15:1:28 CAR/UWO en de artikelen 3:0:1:11 tot en met 3:0:1:14 wordt geen afbouwregeling toegepast.

Artikel 3:0:1:16 Toelage onregelmatige dienst

Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 10 en voor wie de werktijden zijn vastgesteld conform artikel 3:3 van de CAR/UWO, wordt een toelage toegekend op grond van artikel 3:3 van de CAR/UWO.

De toelage als bedoeld in het eerste lid bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel:

a

20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6.00 uur en 8.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur;

b

40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 uur en 6.00 uur en tussen 22.00 uur en 24.00 uur en voor alle uren op zaterdag;

c

65% voor de uren op zondag en op de feestdagen, zoals genoemd in artikel 4:2:1, derde lid, van de CAR/UWO,

met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris horende bij het maximum van schaal 6.

Voor de in het vorige lid onder a. genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7.00 uur, respectievelijk is beëindigd na 19.00 uur.

Artikel 3:0:1:17 Afbouwtoelage onregelmatige dienst

Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage voor onregelmatige dienst een blijvende verlaging ondergaat, wordt door het college een aflopende toelage toegekend, indien:

a

die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage, als bedoeld in artikel 3:0:1:14 (arbeidsmarkttoelage), en

b

de ambtenaar de toelage -als bedoeld in artikel 3:0:1:16- direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 60 jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3:0:1:16 een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, indien de ambtenaar de toelage direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.

De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt en hij onmiddellijk voor de aanvang van die toelage gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3:0:1:16 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.

Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.

Artikel 3:0:1:18 Afbouw onregelmatige dienst (aflopende toelage)

Voor de aflopende toelage geldt als berekeningsbasis het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum, waarop de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan t.o.d. heeft genoten, te verminderen met het bedrag, dat hij daarna in totaal per maand gaat genieten aan t.o.d. en aan verhogingen van de bezoldiging, anders dan die wegens algemene salarisverhogingen. De in die periode van 12 kalendermaanden genoten t.o.d. wordt voor de berekening van vorenbedoeld gemiddeld bedrag aangepast aan plaatsgevonden hebbende algemene salarisstijgingen.

De uitkeringsperiode voor de aflopende toelage is gelijk aan het, naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging t.o.d. zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Aan de uitkeringsperiode voor de aflopende toelage is een maximum verbonden van drie jaar.

De uitkeringsperiode voor de aflopende toelage wordt in drie gelijke delen gesplitst, waarbij - te beginnen met het eerste deel- afronding naar boven op een hele maand plaatsvindt, met dien verstande, dat hierdoor de, ingevolge het vorige lid, vastgestelde totale duur van de uitkeringsperiode van de toelage niet mag worden overschreden. Gedurende deze drie deelperioden bedraagt de toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de voor de desbetreffende maand(en) van toepassing zijnde berekeningsbasis.

Indien de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende inkomstenvermindering intreedt op de eerste dag van een maand, vangt de aflopende toelage op die datum aan. Treedt deze vermindering in op een andere dag van de maand, dan gaat de toelage in op de eerste dag van de erop volgende maand. In het laatste geval wordt aan de ambtenaar over de maand, waarin de inkomstenvermindering intreedt, een aanvulling verleend op het door hem over die maand genoten bedrag aan t.o.d. tot het gemiddelde maandbedrag dat hij hieraan over de 12 maanden, voorafgaande aan vorenbedoelde inkomstenvermindering, heeft genoten. Wijzigingen van de aflopende toelage, voortvloeiende uit mutaties, welke plaatsvinden op een andere dag dan de eerste van een maand, gaan in op de eerste van de daaropvolgende maand.

De aflopende toelage wordt niet uitbetaald over een maand, waarop een berekeningsbasis van toepassing is lager dan 3% van de bezoldiging van de ambtenaar, zoals deze gold op de dag, voorafgaande aan die waarop de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende inkomstenvermindering intrad.

Ingeval van een algemene salariswijziging wordt voor de toepassing van dit besluit rekening gehouden met een fictieve wijziging van het in het eerste lid bedoelde bedrag van het door de ambtenaar gemiddeld per maand genoten bedrag aan t.o.d., alsmede van het in het vorige lid bedoelde bedrag van de bezoldiging, zulks tot het percentage van deze algemene wijziging of tot een bedrag naar rato indien de salariswijziging niet of niet volledig in percenten plaatsvindt.

Ingeval binnen een jaar na de ingangsdatum van een aflopende toelage aanspraak ontstaat op een nieuwe aflopende toelage, geldt voor laatstbedoelde toelage in zoverre een afwijkende berekeningsbasis, dat hiervoor in het eerste lid in plaats van de zinsnede “over de 12 kalendermaanden voorafgaande aan de datum, waarop de in artikel 3:0:1:17, eerste lid bedoelde blijvende verlaging van zijn bezoldiging intreedt”, moet worden gelezen: over de periode, liggende tussen de aanvangsdatum van de reeds bestaande aflopende toelage en de eerste dag van de maand, waarin sprake is van een inkomstenvermindering in de zin van artikel 3:0:1:17, eerste lid welke aanspraak geeft op een nieuwe aflopende toelage.

Artikel 3:0:1:19 Afbouw onregelmatige dienst (blijvende toelage)

Het bepaalde in artikel 3:0:1:18, eerste, vierde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de blijvende toelage.

De blijvende toelage bedraagt 100% van de berekeningsbasis welke voor de desbetreffende maand(en) van toepassing is. Bij overgang van de aflopende toelage in de blijvende toelage als bedoeld in artikel 3:0:1:17, derde lid blijft laatstgenoemde toelage echter bepaald op het percentage van de berekeningsbasis dat voor de berekening van de aflopende toelage ingevolge het bepaalde in artikel 3:0:1:18, derde lid laatstelijk voor hem van toepassing was.

Artikel 3:0:1:20 Geen overwerkvergoeding

Geen overwerkvergoeding als bedoeld in artikel 3:2 CAR/UWO wordt toegekend voor het in opdracht van het college buiten de vastgestelde werktijden volgen van opleidingen.

Artikel 3:0:1:21 Hardheidsbepaling

Voor gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar billijkheid voorziet, treft het college een bijzondere regeling.

Artikel 3:0:1:22 Wervingspremie

De medewerker die een kandidaat aandraagt voor een vacature, ontvangt een wervingspremie als die kandidaat daadwerkelijk wordt aangesteld.

De hoogte van de wervingspremie is € 500,- netto.

Eenieder die deelneemt aan de werving- en selectieprocedure, is uitgesloten van de toekenning van de wervingspremie.

Artikel 3:0:1:22 (Toelichting)

De procedure voor de wervingspremie ziet er als volgt uit.

-

Een medewerker brengt een mogelijk geschikte kandidaat voor een vacante functie aan bij de vacaturehouder en geeft de noodzakelijke gegevens van de kandidaat door (naam, telefoon etc.). Dit geschiedt d.m.v. een memo/mail.

-

De leidinggevende (vacaturehouder) beoordeelt of de aangebrachte kandidaat mee wordt genomen in de werving- en selectieprocedure.

-

Indien de aangebrachte kandidaat daadwerkelijk wordt benoemd, heeft de medewerker recht op de wervingspremie.

-

De leidinggevende (vacaturehouder) doet een voorstel aan de clustermanager tot toekenning van de premie.

-

De clustermanager heeft ondermandaat en tekent voor akkoord.

-

Het gebruteerde bedrag van de wervingspremie komt ten laste van het budget van HRM.

Artikel 3:1:3:1 Aanspraak uitlooptoelage

Aanspraak op een uitlooptoelage heeft de ambtenaar die:

-

reeds in dienst was op 30 september 2000, en

-

een functie bekleedt niet hoger dan functierang 12, en

-

10 jaar onafgebroken in dezelfde functieschaal zit, waarvan 6 jaar op het maximum van die schaal, en

-

gedurende ten minste de laatste 3 jaar blijkens een beoordelingsgesprek als eindoordeel ten minste C (voldoet aan de gestelde eisen) heeft gescoord.

Artikel 3:1:3:2 Uitlooptoelage en persoonlijke rang

De ambtenaar die bij wijze van persoonlijke rang wordt bezoldigd volgens een hogere schaal dan de functieschaal heeft geen aanspraak op een uitlooptoelage, tenzij:

-

de ambtenaar als gevolg van reorganisatie in een functie is geplaatst met een lagere schaal dan zijn vroegere functie;

-

de functie door herwaardering in het kader van de FUWA lager is gewaardeerd.

Artikel 3:1:3:3 Hoogte uitlooptoelage

De toelage wordt opgebouwd gedurende een periode van 2 jaar en bestaat uit een procentuele ophoging van het brutosalaris, gerelateerd aan het maximumnummer van de salarisschaal en wel als volgt:

Schaal

Uitlooppercentage 1e jaar

Uitlooppercentage 2e jaar (cumulatief)

1

3,0

6,7

2

3,1

6,2

3

2,7

5,4

4

2,5

5,1

5

2,4

4,8

6

2,4

4,9

7

2,4

4,5

8

1,8

3,6

9

1,5

3,2

10

1,6

3,2

10a

1,4

2,8

11

1,3

2,6

11a

1,2

2,75

12

1,4

2,9

Artikel 3:3:1:1 Aanspraak vergoeding beschikbaarheidsdienst

De ambtenaar op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de dienst, heeft aanspraak op een vergoeding daarvoor.

Artikel 3:3:1:2 Mate gebondenheid beschikbaarheidsdienst

De ambtenaar moet direct bereikbaar zijn, doch is niet gebonden aan zijn woning.

Artikel 3:3:1:3 Hoogte vergoeding beschikbaarheidsdienst

De vergoeding wordt verleend in geld en in verlof.

De vergoeding in geld bedraagt per uur beschikbaarheidsdienst een percentage van het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij het maximum van schaal 6 van bijlage IIa van de CAR/UWO en wel:

-

5 1/2 procent voor de uren van maandag 00.00 uur tot vrijdag 18.00 uur bij standaard gebondenheid;

-

8 3/4 procent voor de uren van vrijdag 18.00 uur tot maandag 00.00 uur bij standaard gebondenheid;

zulks met dien verstande dat met uren van vrijdag 18.00 uur tot maandag 00.00 uur worden gelijk gesteld de uren op dagen als bedoeld in artikel 4:2:1, lid 3 van de CAR/UWO.

De vergoeding in verlof bedraagt vier uren per 132 uur beschikbaarheidsdienst.

Elk uur beschikbaarheidsdienst op dagen als bedoeld in artikel 4:2:1, lid 3 van de CAR/UWO wordt gecompenseerd met 1/3 uur verlof.

Artikel 3:3:1:4 Overwerkvergoeding bij beschikbaarheidsdienst

Indien de ambtenaar die beschikbaarheidsdienst heeft daadwerkelijk dienst verricht, komt die tijd, mits deze onafgebroken een half uur of langer bedraagt, in aanmerking voor de vergoeding krachtens artikel 3:2:1 van de CAR/UWO.

Artikel 3:3:1:5 Rooster beschikbaarheidsdienst naar PSA

De leidinggevende brengt, het vastgestelde (beschikbaarheids)dienstrooster, alsmede de mutaties daarin, steeds tijdig ter kennis van de belanghebbende ambtenaren en van de personeels- en salarisadministratie.

Artikel 3:3:1:6 Uitbetaling vergoeding beschikbaarheidsdienst

De vergoeding in geld wordt per maand uitbetaald conform rooster.

Extra gedraaide beschikbaarheidsdiensten worden uitbetaald aan de hand van de door de leidinggevende opgemaakte en voor akkoord getekende roosterdeclaratieformulieren.

De vergoeding in verlof kan achteraf op verzoek van de ambtenaar worden uitbetaald indien naar het oordeel van het college het dienstbelang zich tegen het opnemen van dit verlof verzet. Deze vergoeding wordt bij de toepassing van artikel 3:3:1:12 niet in aanmerking genomen.

De ambtenaar die gebruik wil maken van de in lid 3 geboden mogelijkheid dient gebruik te maken van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

Artikel 3:3:1:7 Geen beschikbaarheidsdienst meer bij 60 jaar

Aan de ambtenaar wordt met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt geen beschikbaarheidsdienst meer opgedragen.

Artikel 3:3:1:8 Geen beschikbaarheidsdienst bij 55 jaar

De ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar bereikt en niet bij de beschikbaarheidsdienst is betrokken, wordt daarvoor niet meer ingeschakeld.

Artikel 3:3:1:9 Uitzondering beschikbaarheidsdienst

De ambtenaar kan worden uitgezonderd van de beschikbaarheidsdienst voor de duur van de volgende situaties:

a

(op verzoek van) alleenstaande ouders die belast zijn met de duurzame verzorging van kinderen tot en met 8 jaar;

b

(op verzoek van) de ambtenaar die om medische redenen, buiten eigen schuld of toedoen, niet meer in staat wordt geacht de beschikbaarheidsdienst te kunnen vervullen;

c

de ambtenaar die door eigen schuld of toedoen, op advies van de (direct) leidinggevende, van deelneming aan de beschikbaarheidsdienst door burgemeester en wethouders wordt uitgesloten;

d

de ambtenaar die buiten een straal van anderhalf uur woont, tenzij er een zwaarwegend dienstbelang is.

Artikel 3:3:1:10 Verzoek uitzondering beschikbaarheidsdienst

De ambtenaar die belast is met de duurzame verzorging van kinderen tot acht jaar en tevens voor 0,5 fte of minder werkzaam is, kan verzoeken om aangewezen te worden voor beschikbaarheidsdiensten van maximaal een halve week, mits dit gecombineerd kan worden met een andere parttimer en het dienstbelang zich hiertegen niet verzet.

Artikel 3:3:1:11 Aanspraak garantietoelage

De ambtenaar die krachtens rooster en regelmatig beschikbaarheidsdienst verricht, heeft, indien die dienst buiten eigen schuld of toedoen eindigt, aanspraak op een garantietoelage.

Artikel 3:3:1:12 Hoogte garantietoelage

De garantietoelage bedoeld in artikel 3:3:1:11 bedraagt:

a

voor de ambtenaar die 15 jaar of langer aaneengesloten beschikbaarheidsdiensten heeft verricht: voor elk vol jaar verrichte zodanige dienst 4% van de over de periode van zes maanden direct voorafgaande aan de beëindiging van bedoelde dienst gemiddeld per maand genoten vergoeding in geld, zulks tot een maximum van 100%. Onverminderd het bepaalde in lid 2 eindigt de garantietoelage op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt of zoveel eerder als het dienstverband met de gemeente eerder wordt verbroken;

b

voor de ambtenaar die minder dan 15 jaar aaneengesloten beschikbaarheidsdiensten heeft verricht: gedurende een periode gelijk aan het aantal volle maanden gedurende welke hij laatstelijk onafgebroken bij bedoelde dienst ingedeeld is geweest, de helft van de over de periode van zes maanden direct voorafgaand aan de beëindiging van die dienst gemiddeld per maand genoten vergoeding. Indien hij tijdens de garantieperiode de 60-jarige leeftijd bereikt behoudt hij de garantietoelage.

De laatste volzin van sub a is van overeenkomstige toepassing.

De garantietoelage eindigt evenzeer op het tijdstip waarop zich een omstandigheid voordoet waarbij de ambtenaar, zou hij nog beschikbaarheidsdienst krachtens rooster hebben verricht, door eigen schuld of toedoen daarvoor niet meer zou worden ingeschakeld.

De garantietoelage wordt bij algemene salarismaatregelen dienovereenkomstig aangepast.

4 Regeling glijdende werktijden en informeel sparen UWO-II

Artikel 4:1:1:1 Arbeidsduur per dag

Uitgaande van de feitelijke arbeidsduur per week bepaalt de direct leidinggevende in overleg met de ambtenaar de arbeidsduur per dag. Hierbij houdt de leidinggevende rekening met de belangen van de ambtenaar en van de dienst. De arbeidsduur per dag wordt bij voorkeur vastgelegd in schriftelijke afspraken, geldend voor een langere termijn. Het belang der dienst kan vereisen dat arbeid in roosterdienst wordt verricht.

Artikel 4:1:1:2 Arbeids/pauzetijden

Tenzij een rooster zich hiertegen verzet, kan de dagelijkse arbeidsduur flexibel worden verricht, een en ander met inachtneming van de volgende voorschriften:

a

overeenkomstig de vastgestelde duur kan de arbeid verricht worden van maandag tot en met vrijdag tussen 07.00 uur en 18.00 uur;

b

pauze, die minimaal 30 minuten bedraagt, kan dagelijks worden opgenomen tussen 12.00 en 13.30 uur;

c

indien de feitelijke arbeidsduur meer dan 10 uur op dezelfde dag bedraagt, is een pauze van minimaal 45 minuten verplicht;

d

de direct leidinggevende draagt er zorg voor dat de cluster/team/staf/eenheid bereikbaar is tussen 08.15 en 12.30 uur en 13.15 en 17.00 uur;

e

de begin- en eindtijden dienen zodanig te worden gekozen dat de ononderbroken werktijd in de regel niet meer dan 5 uur bedraagt;

f

de gewerkte tijd wordt gespecificeerd verantwoord en geregistreerd op een nader door het college aan te geven wijze;

g

artsenbezoek en dergelijke tijdens diensttijd dient zoveel mogelijk te worden beperkt;

h

in gevallen waarin deze regeling niet voorziet treft het college een oplossing naar billijkheid.

Artikel 4:1:1:3 Compensatie-uren (flex-uren)

De ambtenaar mag met toestemming van zijn leidinggevende incidenteel meer of minder werken dan de formele arbeidsduur per week onder de volgende voorwaarden:

a

er mag alleen minder worden gewerkt indien dit gecompenseerd kan worden met reeds gewerkte uren boven de formele arbeidsduur per week;

b

de registratie dient te voldoen aan door het college te stellen eisen;

c

te veel gewerkte uren kunnen niet naar een volgend dienstjaar worden overgeschreven en worden evenmin uitbetaald;

d

de leidinggevende kan de ambtenaar verplichten de uren te compenseren op tijdstippen waarbij het belang der dienst gebaat is;

e

tijdens ziekte geldt de formele arbeidsduur per week.

4a Uitwisseling arbeidsvoorwaarden (Cafetariamodel) UWO-II

Artikel 4a:1:1:1 Indienen verzoek

De ambtenaar kan eenmaal per kalenderjaar met het aanvraagformulier "uitwisseling arbeidsvoorwaarden Haarlemmermeer" een verzoek indienen om gebruik te maken van de mogelijkheid tot uitwisseling van arbeidsvoorwaarden. Een verzoek wordt toegewezen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet.

Het besluit op een verzoek wordt schriftelijk bevestigd, waarbij een gehele of gedeeltelijke afwijzing wordt gemotiveerd.

Artikel 4a:1:1:2 Bronnen

De ambtenaar geeft aan welke bronnen hij wil inzetten voor het realiseren van de door hem gekozen bestedingsmogelijkheden.

De volgende bronnen zijn mogelijk:

a

het salaris, voor zover dat uitgaat boven het wettelijke minimumloon;

b

de vakantie-uitkering, voor zover die uitgaat boven 8% van het wettelijke minimumjaarloon;

c

de eindejaarsuitkering, als bedoeld in artikel 3:6 CAR/UWO

d

de levensloopbijdrage als bedoeld in artikel 6a:7 CAR/UWO;

e

de vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1 CAR/UWO.

Per kalenderjaar kunnen meerdere bronnen tegelijkertijd ingezet worden voor meerdere bestedingsmogelijkheden. Per bestedingsmogelijkheid kunnen echter maximaal twee bronnen worden ingezet.

Alleen zolang een bron in een kalenderjaar nog niet betaalbaar is gesteld kan deze bron worden ingezet voor een bestedingsdoel.

Bij het inzetten van een bron dient op het aanvraagformulier ook de gewenste bestedingsmogelijkheid te worden opgegeven. Zowel het inzetten van een bron als het aanwenden voor een bestedingsmogelijkheid dienen binnen het zelfde kalenderjaar plaats te vinden.

Artikel 4a:1:1:3 Bestedingsmogelijkheden

De bestedingsmogelijkheden zijn:

a

koop van vakantie-uren;

b

een netto vergoeding voor de op, conform de fiscale regelgeving maximaal 214 werkdagen (fulltimer) per kalenderjaar voor eigen rekening blijvende kosten van woon-werkverkeer met de auto of motor, met een maximum per kilometer van hetgeen fiscaal onbelast per kilometer kan worden vergoed (€ 0,19; 2011) en een maximum van in aanmerking te nemen kilometers van 150 (retour) per dag; de in aanmerking te nemen kilometers worden bepaald aan de hand van de kortste route volgens de ANWB Routeplanner.

c

een netto vergoeding voor de voor eigen rekening blijvende kosten van woon-werkverkeer met openbaar vervoer;

d

een netto vergoeding voor de voor eigen rekening blijvende kosten van een opleiding of studie voor een beroep;

e

extra opbouw van pensioen op grond van het pensioenreglement;

f

maandelijkse contributie aan een vakbond.

Met inachtneming van artikel 4a:1:1:2, lid 3 kunnen, op een tweetal uitzonderingen na, alle bronnen worden aangewend voor alle bestedingsmogelijkheden.

Uitzondering zijn:

a

de vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren kan niet worden ingezet voor de koop van de vakantie-uren.

b

voldoening van de maandelijkse contributie aan een vakbond is alleen mogelijk door maandelijkse verlaging van het salaris.

Indien de ambtenaar bronnen wil inzetten ten behoeve van extra opbouw van pensioen, dan overlegt hij een bewijs van de aanwezige beschikbare fiscale ruimte en tot welk bedrag hij extra kan inleggen.

De Wet op de Loonbelasting 1964 is voor de genoemde bestedingsmogelijkheden in het eerste lid, van toepassing.

Artikel 4a:1:1:4 voorwaarden koop en verkoop van vakantie-uren

Bij koop of verkoop van vakantie-uren geldt hetgeen is bepaald in artikel 4a:1 en 4a:2 CAR/UWO.

Artikel 4a:1:1:5 Looptijd regeling

Deze regeling is van kracht tot 1 januari 2014 of vervalt zoveel eerder dat de gemeente besluit tot toepassing van de Werkkostenregeling.

Toelichting

Het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden, ook wel ‘het Cafetariamodel’ genoemd, biedt ambtenaren de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen hun eigen arbeidsvoorwaardenpakket samen te stellen. Alle ambtenaren kunnen op vrijwillige basis aan de regeling deelnemen. Eenmaal per kalenderjaar kan met een verplicht door de cluster HRM ter beschikking gesteld formulier een aanvraag worden ingediend voor het lopende kalenderjaar.

Een verzoek voor deelname aan het Cafetariamodel wordt toegewezen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich er tegen verzet. Een toewijzing kan namelijk organisatorische of financiële gevolgen hebben. Zo kan bijvoorbeeld de koop van vakantie-uren leiden tot een onderbezetting op de afdeling. Redenen om het verzoek af te wijzen zijn in ieder geval aanwezig als de toekenning van het verzoek leidt tot ernstige bedrijfsvoeringsproblemen. Het is aan de werkgever om bij afwijzing van een verzoek aan te tonen dat er zwaarwegende dienstbelangen zijn die boven de wens van de ambtenaar gaan.

Door gebruik te maken van het Cafetariamodel heeft de ambtenaar een fiscaal voordeel. Een bruto bron, bijvoorbeeld de vakantie-uitkering of de eindejaarsuitkering, wordt bruto verlaagd en de gekozen bestedingsmogelijkheid wordt netto uitbetaald. De ambtenaar bespaart op deze manier loonheffingen (loonbelasting, volksverzekeringen en sociale zekerheidspremies) over het gedeelte waarmee de bruto bron die wordt verminderd. Wel heeft de verlaging van de bruto bronnen gevolgen voor de hoogte van bepaalde uitkeringen (WW, WIA, ZW), omdat de grondslag voor de uitkeringen wordt verlaagd. De pensioengrondslag zal geen wijziging ondergaan indien het verschil tussen het pensioengevend loon zonder toepassing van de cafetariaregeling en het pensioengevend loon met toepassing van de cafetariaregeling niet meer bedraagt dan 30% (Besluit 8 september 2008, nr. CPP2008/1227M, Stcrt. Nr. 183). Wanneer de ambtenaar zijn maandelijkse bruto salaris inzet om een bestedingsmogelijkheid te financieren, heeft dat wel gevolgen voor bepaalde aan de bezoldiging gerelateerde toelagen, zoals de vakantietoelage. De vakantietoelage wordt berekend over de maandelijks uitbetaalde bezoldiging. Inzet van het maandelijkse bruto salaris heeft geen invloed op de hoogte van de eindejaarsuitkering en bijdrage levensloop.

Het inzetten van de in artikel 4a:1:1:2, lid 2 onder a, b, c, en d genoemde bronnen heeft gevolgen voor een door de gemeente, op verzoek, af te geven werkgeversverklaring inzake inkomen.

Het is mogelijk om vakantie-uren te kopen en te verkopen. Het maximum aantal te (ver)kopen uren bedraagt 72 uur. Dit aantal geldt voor een voltijder. Een deeltijder kan het aantal uren naar rato (ver)kopen. In geval van verkoop van uren geldt dat alleen de bovenwettelijke verlofuren verkocht mogen worden.

Een voorbeeld. Een medewerker van 39 jaar in schaal 8 heeft recht op 158,4 uren verlofuren per jaar. het wettelijk aantal verlofuren bedraagt 144 uur. Deze medewerker kan maximaal 14.4 uur verlof verkopen.

Daarnaast kan een medewerker verzoeken in een jaar maximaal 50,4 uur meer te werken dan de arbeidsduur per jaar, deze uren kunnen worden opgeteld bij de verlofuren voor dat jaar en kunnen worden meegenomen in het verzoek tot verkoop van verlofuren. Voor deeltijders worden deze aantallen naar rato aangepast. N.B.: Het is dus niet mogelijk om niet opgenomen wettelijke vakantieverlof-uren van een vorig jaar mee te nemen in het verzoek tot verkoop van verlof.

Niet onbelangrijk is er op te wijzen dat het gekochte verlof, evenals het reguliere vakantieverlof, slechts kan worden genoten in overleg met de leidinggevende. De medewerker doet er verstandig aan zijn plannen bijtijds met zijn leidinggevende te bespreken.

Voor de vakantie-uren die de medewerker verkoopt ontvangt de medewerker een vergoeding gelijk aan het bruto salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Bij koop van vakantie-uren betaalt de medewerker het bruto uursalaris dat u geniet bij aanvang van het jaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Verkoop of koop van vakantie-uren heeft geen gevolgen voor de berekening van uw vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering, pensioen(premie) en IZA-premie. Wel heeft het (ver)kopen van vakantie-uren gevolgen voor de belastinggrondslag. Het bedrag waarover loonheffing en premie volksverzekeringen moet worden afgedragen ondervindt wel wijziging. Tevens zal de koop of verkoop van vakantiedagen van invloed zijn op een berekening van de uitkering op grond van de WW, WAO, WIA en ZW. De hoogte van de WW wordt berekend met inachtneming van het (maximum) dagloon, zoals beschreven in de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Een aan- of verkoop van verlofdagen kan van invloed zijn op de uitkering.

Het Bedrijfsvervoerplan voorziet alleen in een vergoeding bij woon-werkverkeer indien men gebruik maakt van het openbaar vervoer. Ook bestaat de mogelijkheid de afstand tussen woonadres en werkplek met de fiets af te leggen. De medewerker kan op basis van het Bedrijfsvervoerplan eens in de drie jaar in aanmerking komen voor een vergoeding van de aanschafkosten tot een maximum van € 749,--. Het Bedrijfvervoerplan voorziet niet in een vergoeding voor woon-werkverkeer met de auto of motor.

Artikel 4a:1:1:3, lid 1 sub b, biedt de mogelijkheid om, als geen gebruik wordt gemaakt van openbaar vervoer of fiets, uit het bruto loon een kilometervergoeding te ontvangen voor woon-werkverkeer met de auto of motor. Voor de berekening van de vaste onbelaste vergoeding wordt uitgegaan van 214 werkdagen in een jaar. Hierbij is al rekening gehouden met kortstondige afwezigheid wegens vakantie, ziekte en verlof. Alleen als de medewerker aannemelijk kan maken dat het aantal dagen van 214 ten minste 25% hoger is, mag volgens de fiscale regelgeving worden uitgegaan van het hogere aantal dagen. Door het aantal werkdagen te vermenigvuldigen met het totale aantal kilometers per dag is het resultaat het totaal aantal kilometers per jaar. Deze uitkomst maal de onbelaste vergoeding van € 0,19 is de totale jaarlijkse vergoeding. Voor de vaste vergoeding per maand wordt de uitkomst gedeeld door 12. Bij parttimers wordt het bovenstaande naar evenredigheid toegepast. De site van de Belastingdienst geeft nadere informatie ten aanzien van deze mogelijkheid.

De gemeente vergoedt tot een bedrag van maximaal 85% van de kosten openbaar vervoer tweede klasse. Deze bepaling maakt het mogelijk om de extra kosten van een ophoging naar de eerste klasse via deze weg te financieren. De kosten dienen door de medewerker te worden aangetoond. Ook de eigen bijdrage van 15% kan door uitwisseling van arbeidsvoorwaarden gefinancierd worden.

Onder studie wordt verstaan een opleiding, cursus, congres, seminar, symposium, excursie of studiereis met het oog op het verwerven van inkomen uit werk. Tot de studiekosten worden niet gerekend kosten in verband met een werk- of studeerruimte of kosten voor binnenlandse reizen voor zover deze meer bedragen dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b, eerste lid onder b, Wet op de Loonbelasting 1964. De medewerker dient originele bewijsstukken te overleggen waaruit de studiekosten blijken.

Bij gebruikmaking van de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden voor een studiekostenvergoeding kunnen alleen die kosten in aanmerking komen die in dat kalenderjaar daadwerkelijk worden gemaakt.

De medewerker kan zijn toekomstige pensioen verhogen door extra te sparen. Het ABP biedt hiertoe de mogelijkheid via het zogenaamde ABP Extra Pensioen. Door afstand te doen van bruto bronnen kan de ambtenaar aanvullend pensioen opbouwen. De premie voor extra pensioen wordt verrekend via de salarisstrook. Het ingehouden bedrag wordt rechtstreeks betaald aan het ABP. Inleggen kan maandelijks, eenmalig of incidenteel. Er geldt hierbij geen minimumbedrag, wel een maximum, dat afhankelijk is van de persoonlijke fiscale ruimte van de ambtenaar voor pensioen. De fiscale grens wordt per individu bepaald en hangt af van de leeftijd, het inkomen en het totaal dat de ambtenaar aan pensioen opgebouwd heeft. Het ABP toetst of de inleg de fiscale ruimte overschrijdt. Meer inhoudelijke informatie over het ABP Extra Pensioen is te vinden op de website van het ABP (http://www.abp.nl/).

De belastingwetgeving maakt het mogelijk om de (netto) vakbondscontributie van het bruto loon te betalen. De ambtenaar toont aan dat hij lid is van een vakbond. De verlaging van het bruto loon stopt wanneer de ambtenaar zijn lidmaatschap opzegt. De ambtenaar moet dit dan ook direct kenbaar maken aan de werkgever.

5 Seniorenmaatregelen UWO-II

Artikel 5:3:1:1 58-jarigenregeling

Het is de ambtenaar van 58 jaar en ouder, werkzaam in een volledige betrekking, toegestaan met behoud van de arbeidsduur en volledig voor hem geldende bezoldiging- per dag een half uur korter te werken. De wijze waarop deze werktijdvermindering wordt ingevuld wordt bepaald in overleg met de leidinggevende.

Het vorige lid geldt niet voor de ambtenaar wiens werktijd met toepassing van artikel 5:1 CAR/UWO is teruggebracht.

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings) verlof UWO-II

Artikel 6:1:1:1 Verplicht vrije dagen

Het college is bevoegd, gehoord de ondernemingsraad, jaarlijks 2 dagen aan te wijzen waarop de dienst gesloten is en het personeel verplicht is verlof op te nemen.

Artikel 6:2:1:1 Duur vakantieverlof

De duur van het jaarlijks vakantieverlof bedraagt in uren voor de ambtenaar in een volledige betrekking die een salaris geniet volgens één van de volgende schalen:

a

1 tot en met 8

158,4 uur

b

9 tot en met 14

165,6 uur

c

15 tot en met 18

172,8 uur

Artikel 6:2:1:2 Seniorenverlofdagen en juniorenverlofdagen

De volgens artikel 6:2:1:1 vastgestelde duur van de vakantie wordt verhoogd met een na te noemen aantal uren:

a

over het kalenderjaar waarin de ambtenaar nog niet de leeftijd van 19 jaar bereikt met 21,6 uur;

b

over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 19 jaar bereikt met 14,4 uur;

c

over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 20 jaar bereikt met 7,2 uur;

d

over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 40 jaar bereikt alsmede over de daarop volgende vier kalenderjaren met 7,2 uur;

e

over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 45, 50 en 55 jaar bereikt, alsmede over de op het desbetreffende kalenderjaar volgende vier jaar met onderscheidenlijk 14,4, 21,6 en 28,8 uur;

f

over het kalenderjaar waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt alsmede over de daarop volgende kalenderjaren met 36 uur.

Op verzoek van de ambtenaar betaalt het college maximaal 21,6 uren leeftijdsverlof uit, tenzij hiertegen financiële of organisatorische bezwaren bestaan.

Artikel 6:2:1:3 Vakantieverlof parttimers

De duur van het jaarlijks vakantieverlof voor de ambtenaar die geen volledige betrekking vervult, bedraagt een evenredig deel van het verlof volgens de artikelen 6:2:1:1 en 6:2:1:2.

Artikel 6:2:1:4 Afronding vakantie-uren

De uitkomst van de volgens de voorgaande artikelen berekende duur van het vakantieverlof wordt naar boven afgerond op een heel uur.

Artikel 6:2:6:1 Overschrijven verlof naar volgend jaar

Overschrijven van verlof naar een volgend dienstjaar mag slechts met toestemming van de direct leidinggevende.

Overschrijven van een hoeveelheid verlof die groter is dan de formele arbeidsduur per week mag slechts geschieden met toestemming van het college.

Voor de specialist ontwikkeling met aandachtsgebied directievoering, cluster Ontwerp, Voorbereiding & Realisatie, wordt m.b.t. overschrijven van verlof het dienstjaar geacht te lopen van 1 april tot 31 maart.

Artikel 6:4:4:1 Buitengewoon verlof 5, 24 en 31 december

Indien het dienstbelang dit naar het oordeel van het college toelaat is het de ambtenaar op de op maandag tot en met vrijdag vallende dagen 5, 24 en 31 december toegestaan zijn dienst om 15.00 uur te beëindigen.

Indien aan de ambtenaar voor die dagen verlof wordt verleend wordt bij de afschrijving van de verlofkaart met de toegestane werktijdvermindering rekening gehouden.

De toegestane werktijdvermindering bij de afschrijving van de verlofkaart als bedoeld in het tweede lid bedraagt maximaal 2 (arbeids)uren.

Artikel 6:4:4:2 Buitengewoon verlof Goede Vrijdag en 5 mei

De openbare dienst van de gemeente is gesloten op Goede Vrijdag en 5 mei. Hiertoe verleent het college bijzonder verlof met behoud van bezoldiging.

Artikel 6:4:5:0 Buitengewoon verlof niet op verzoek ambtenaar

Het college kan, indien daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat, aan een ambtenaar in het belang der dienst buitengewoon verlof verlenen met behoud van bezoldiging.

Artikel 6:4:5:1 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding krachtens artikel 6:4:4, lid 2 van de CAR/UWO is onverminderd het bepaalde in de volgende artikelen, gerekend over een uur gelijk aan het 1/156 gedeelte van de bezoldiging van de ambtenaar per maand in een volledige betrekking.

Artikel 6:4:5:2 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding als bedoeld in artikel 6:4:5:1 overschrijdt per uur niet het bedrag dat de ambtenaar als gemeenteraadslid geacht wordt per uur aan vaste vergoeding te ontvangen. Die vergoeding per uur wordt vastgesteld door de vaste vergoeding per jaar te delen door:

120 voor het raadslid in een gemeente tot

6.000 inwoners

133 voor het raadslid in een gemeente van

6.001

-

8.000 inwoners

154 voor het raadslid in een gemeente van

8000

-

10.000 inwoners

179 voor het raadslid in een gemeente van

10001

-

12000 inwoners

210 voor het raadslid in een gemeente van

12001

-

14000 inwoners

264 voor het raadslid in een gemeente van

14001

-

18000 inwoners

327 voor het raadslid in een gemeente van

18001

-

24000 inwoners

411 voor het raadslid in een gemeente van

24001

-

30000 inwoners

507 voor het raadslid in een gemeente van

30001

-

40000 inwoners

648 voor het raadslid in een gemeente van

40001

-

50000 inwoners

704 voor het raadslid in een gemeente van

50001

-

60000 inwoners

769 voor het raadslid in een gemeente van

60001

-

80000 inwoners

824 voor het raadslid in een gemeente van

80001

-

100000 inwoners

883 voor het raadslid in een gemeente van

100001

-

125000 inwoners

936 voor het raadslid in een gemeente van

125001

-

150000 inwoners

992 voor het raadslid in een gemeente van

150001

-

250000 inwoners

1090 voor het raadslid in een gemeente van

250001

-

375000 inwoners

1327 voor het raadslid in een gemeente vanaf

375.001 inwoners

Artikel 6:4:5:3 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding als bedoeld in artikel 6:4:5:1 overschrijdt per uur niet het bedrag dat de ambtenaar als wethouder geacht wordt per uur aan wedde te ontvangen. Die wedde per uur wordt bepaald door de jaarwedde te delen door:

396 voor de wethouder in een gemeente t/m

2000 inwoners

594 voor de wethouder in een gemeente van

2001

t/m

4000 inwoners

792 voor de wethouder in een gemeente van

4001

t/m

8000 inwoners

990 voor de wethouder in een gemeente van

8001

t/m

14000 inwoners

1188 voor de wethouder in een gemeente van

14001

t/m

18000 inwoners

1584 voor de wethouder in een gemeente van

18001

t/m

24000 inwoners

1980 voor de wethouder in een gemeente vanaf

t/m

24001 inwoners

Artikel 6:4:5:4 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding als bedoeld in artikel 6:4:5:1 overschrijdt per uur niet het bedrag dat de ambtenaar als lid van provinciale staten geacht wordt per uur aan vaste vergoeding te ontvangen. Die vaste vergoeding per uur wordt bepaald op het 1/572 gedeelte van de vaste vergoeding per jaar.

7 Verzuimprotocol UWO-II

Artikel 7:1:0:1 Algemene bepalingen

Voor de toepassing van dit verzuimprotocol wordt verstaan onder:

a

arbodienst:de arbodienst waarmee de gemeente een contract heeft gesloten;

b

bedrijfsarts:de door de gemeente ingeschakelde bedrijfsarts;

c

sociaal medisch team:het team bestaande uit:

-

de direct leidinggevende,

-

de bedrijfsarts

-

de HRM-adviseur en

eventueel aangevuld met de betrokken medewerker en andere relevante deskundigen.

d

langdurend ziekteverzuim:verzuim dat ten minste 6 weken aaneengesloten duurt;

e

middellang verzuim:verzuim dat 2 tot 6 weken duurt;

f

kort verzuim:verzuim dat niet meer dan 2 weken duurt;

g

frequent verzuim:in 12 maanden 4 keer of meer verzuim.

Artikel 7:1:0:2 Aanwijzingen voor de medewerker

De medewerker die wegens ziekte zijn betrekking niet of niet geheel kan vervullen, informeert de direct leidinggevende hierover. Dit gebeurt zo spoedig mogelijk maar in ieder geval voor 9.30 uur. De ambtenaar die zijn betrekking tijdens de uitoefening wegens ziekte stopt, doet hiervan direct mededeling aan zijn leidinggevende.

De medewerker geeft aan wat de beperkingen zijn om het werk te doen en zo mogelijk de ernst en de verwachte duur van het verzuim. Indien de medewerker kennis draagt van feiten en omstandigheden die, ter beperking van de verzuimduur, direct ingrijpen wenselijk of noodzakelijk maken, meldt hij dit bij de leidinggevende of neemt direct na de ziekmelding contact op met de bedrijfsarts.

Indien de medewerker tijdens het verzuim niet op het woonadres verblijft, doet hij daarvan direct mededeling aan de leidinggevende. Bij een wijziging in verblijfplaats meldt de medewerker dit direct aan de leidinggevende.

Bij ziekmelding tijdens een verblijf in het buitenland dient de medewerker na terugkomst een verklaring van een arts te overleggen dan wel de nota’s van de arts en apotheek.

Tijdens de verhindering wegens ziekte is het de medewerker toegestaan zijn verblijfplaats te verlaten:

-

’s morgens tussen 08.00 uur en 10.00 uur en

-

's middags tussen 14.30 uur en 16.30 uur.

Buiten die perioden mag hij zijn verblijfplaats slechts verlaten:

-

in geval van een bezoek aan zijn huisarts, een medisch specialist, een polikliniek, een laboratorium, de bedrijfsarts en dergelijke;

-

indien opname in een zieken- of verpleeghuis is voorgeschreven.

De medewerker dient er voor zorg te dragen dat hij gedurende de ziekteperiode bereikbaar is voor leidinggevende en bedrijfsarts dan wel verzuimrapporteur. Hij stelt hen in de gelegenheid om hem in zijn woning of op het verpleegadres te bezoeken en verstrekt de voor de begeleiding en werkhervatting benodigde inlichtingen..

De medewerker geeft ongeacht of hij zijn betrekking al dan niet heeft hervat gevolg aan een uitnodiging het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken. Hij mag dit nalaten indien hij daartoe vanwege zijn ziekte niet in staat is of omdat de hem behandelend arts hem dat om medische redenen heeft afgeraden. De medewerker geeft daarvan zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het bewuste spreekuur, kennis – onder opgaaf van redenen – aan de bedrijfsarts en de direct leidinggevende.

De medewerker dient een actieve bijdrage te leveren aan zijn eigen arbeidsre-integratie en is tevens verplicht naast de medewerking aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak mee te werken aan de tussentijdse (1e jaars-)evaluatie en het re-integratieverslag.

Indien de medewerker zijn betrekking dient te hervatten op een door de bedrijfsarts aangewezen dag en daartoe onverhoopt niet in staat is, doet hij hiervan mededeling op de wijze zoals in de leden 1 en 2 omschreven.

Onverlet het bepaalde in artikel 7:17 CAR/UWO meldt de medewerker op de dag dat hij hervat dit bij zijn leidinggevende.

Artikel 7:1:0:3 Aanwijzingen voor de personeels- en salarisadministratie

De personeels- en salarisadministratie draagt er zorg voor dat de ziekmelding wordt doorgegeven aan de bedrijfsarts dan wel arbodienst en stuurt de medewerker een bevestiging van de aanvang van de ziekteperiode.

De personeels- en salarisadministratie doet aan de bedrijfsarts dan wel arbodienst mededeling van:

-

de wijziging van de verblijfplaats van de zieke medewerker.

-

het geheel of gedeeltelijk herstel van de zieke medewerker.

De personeels- en salarisadministratie draagt uiterlijk in de 42e week zorg voor tijdige doorgifte van de ziekmelding aan het UWV. Tevens verzorgt zij de hersteldmelding aan het UWV.

Artikel 7:1:0:4 Aanwijzingen voor de arbodienst

De arbodienst overlegt binnen 6 weken na de eerste ziektedag of zoveel eerder als nodig is, aan de werkgever een probleemanalyse en een advies. Indien pas na 6 weken ziekte blijkt dat het ziekteverzuim aanhoudt, dient de arbodienst alsnog onverwijld een oordeel over het ziektegeval te geven.

Artikel 7:1:0:5 Aanwijzingen voor de leidinggevende

De leidinggevende geeft een ziekmelding, een verandering in verblijfplaats van de zieke medewerker, een gedeeltelijke of volledige herstelmelding of andere informatie die van belang is voor de ziekteverzuimbegeleiding door de bedrijfsarts of arbodienst, direct via e-mail door aan de personeels- en salarisadministratie.

Indien de leidinggevende kennis draagt van feiten en omstandigheden die, ter beperking van de verzuimduur, direct ingrijpen wenselijk of noodzakelijk maken, meldt hij dit bij de bedrijfsarts en bespreekt de te ondernemen stappen.

De leidinggevende draagt er zorg voor dat de zieke medewerker vanuit de dienst wordt begeleid conform wetgeving (wet verbetering poortwachter) en het vastgestelde beleid.

De leidinggevende heeft binnen 3 weken na de eerste ziektedag contact met de bedrijfsarts, en voorts voor zover noodzakelijk. Voorts draagt de leidinggevende er zorg voor dat hij tijdig, uiterlijk aan het begin van de zevende week na de ziekmelding of zoveel eerder als nodig is, in het bezit is van de probleemanalyse van de bedrijfsarts.

In de achtste week na de ziekmelding of, indien nodig, eerder stelt de leidinggevende in samenspraak met de zieke medewerker op basis van de probleemanalyse een plan van aanpak op teneinde werkhervatting c.q. reïntegratie te bereiken. In het plan van aanpak is in ieder geval opgenomen:

-

wie als casemanager optreedt,

-

wat de doelstelling is,

-

welke acties door wie hiertoe worden ondernomen,

-

eventuele afspraken over contact tussen bedrijfsarts en overige behandelaars

-

bij herplaatsing elders: afspraken over inzet reïntegratiebedrijf

-

binnen welke termijn een actie dient te zijn uitgevoerd en

-

wanneer evaluatie plaatsvindt.

De medewerker en de bedrijfsarts ontvangen een afschrift van het plan van aanpak.

De leidinggevende bespreekt de voortgang van het plan van aanpak regelmatig met de zieke medewerker. De frequentie is afhankelijk van de aard van het verzuim en de situatie maar de tussenpozen zijn niet groter dan 6 weken. Indien nodig wordt het plan van aanpak bijgesteld. De leidinggevende draagt er zorg voor dat het gesprek schriftelijk wordt vastgelegd. De medewerker ontvangt een afschrift van het verslag.

Uiterlijk in de 52e ziekteweek belegt de leidinggevende een gesprek met de zieke medewerker waarin de tot dan toe ondernomen acties worden geëvalueerd en wordt vastgelegd wat de actuele stand van zaken is teneinde het perspectief en het doel in de komende periode te bepalen.

De leidinggevende dan wel de casemanager draagt bij langdurend verzuim zorg voor een volledig re-integratiedossier en ziet er op toe dat deze bevat:

-

de probleemanalyse

-

het plan van aanpak

-

de eventuele bijstellingen van het plan van aanpak

-

verslagen van voortgangsgesprekken

-

de verslagen van de bedrijfsarts naar aanleiding van het spreekuur

-

de 1e jaarsevaluatie

-

alle documenten en correspondentie die betrekking hebben op de ondernomen activiteiten.

Zodra de medewerker zijn werkzaamheden hervat, belegt de leidinggevende een terugkeergesprek. Bij langdurend verzuim vindt dit gesprek zo mogelijk plaats alvorens de werkzaamheden worden hervat.

Indien sprake is van frequent verzuim bespreekt de leidinggevende direct dan wel kort na hervatting van het werk, met de medewerker de mogelijke oorzaken van het verzuim en, indien die oorzaken daartoe aanleiding geven, verzoekt de bedrijfsarts betrokkene uit te nodigen voor het spreekuur.

In het werkoverleg geeft de leidinggevende regelmatig aandacht aan de arbeidsomstandigheden in relatie met ziekteverzuim. Indien nodig stelt hij de bevindingen van het werkoverleg aan de orde in het managementteamoverleg (MT) of in het overleg met de directeur.

Artikel 7:1:0:6 Het sociaal medisch team

In het sociaal medisch team worden besproken:

-

gevallen van middellang en langdurend verzuim

-

gevallen van frequent verzuim

-

andere gevallen die daartoe aanleiding geven.

Het sociaal medisch team overlegt en coördineert onder verantwoordelijkheid van de leidinggevende de ten aanzien van de ambtenaar te nemen maatregelen.

De HRM-adviseur draagt zorg voor het een verslag van hetgeen in het sociaal medisch team wordt besproken. Hij kan zich hierin laten bijstaan door een medewerker van de personeels- en salarisadministratie.

Artikel 7:1:0:7 Slotbepaling

Voor de gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering ingevolge de hoofdstukken 10 of 11 van de CAR/UWO, is het bovenstaande, zoveel mogelijk, overeenkomstig van toepassing.

12 Georganiseerd Overleg UWO-II

Artikel 12:1:1:1 Overeenstemming vereist

Invoering of wijziging van aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de meerderheid van de organisaties als bedoeld in hoofdstuk 12 CAR/UWO.

Artikel 12:1:1:2 Geen overeenstemming vereist

Van het overeenstemmingsvereiste zijn uitgesloten:

-

die onderwerpen die ook in het landelijk protocol zijn uitgesloten

-

die maatregelen, die aan het centraal overleg tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel zijn voorbehouden en

-

die onderwerpen waaromtrent het overleg is voorbehouden aan het College voor Arbeidszaken en de centrales van overheidspersoneel (raamovereenkomst).

Artikel 12:1:1:3 Advies en arbitrage

Onverminderd het bepaalde onder artikel 12:1:1:2 blijven voorshands de bepalingen van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) die kunnen worden gerelateerd aan het onder artikel 12:1:1:1 bepaalde, buiten werking.

De artikelen 12:3:1 tot en met 12:3:9 van de CAR/UWO, handelende over advies en arbitrage, blijven onverkort van kracht.

Artikel 12:1:1:4 Financiële ruimte en gemeenteraad

De financiële gevolgen van het op lokaal niveau overeengekomen onderhandelingsresultaat dienen te blijven binnen de door de gemeenteraad vastgestelde financiële ruimte.

Indien de onderhandelingsresultaten leiden tot meerkosten ten opzichte van het beschikbare budget, dan zullen deze afspraken eerst gelden na instemming door de gemeenteraad.

14 Medezeggenschap UWO-II

Artikel 14:1:1:1 OR/GO en gewone functie

De gemeentesecretaris/algemeen directeur en het management waken ervoor dat OR/GO-leden naast hun normale functie werkzaamheden voor OR/GO kunnen verrichten.

Artikel 14:1:1:2 Faciliteiten

De faciliteiten van deze regeling staan zowel open voor parttimers als voor fulltimers.

Artikel 14:1:1:3 Faciliteiten

Teneinde OR/GO-leden in staat te stellen hun taak te verrichten, krijgen zij van de gemeente de gelegenheid om:

-

overlegvergaderingen bij te wonen;

-

interne (voorbereidende) vergaderingen bij te wonen;

-

personen en stukken te raadplegen ter voorbereiding of nabespreking van bepaalde agendapunten van een overlegvergadering;

-

deel te nemen aan ingestelde commissies;

-

deel te nemen aan cursussen.

Artikel 14:1:1:4 Gesprek voorafgaand aan OR/GO-werk

Vóór de verkiezing (OR) of benoeming (GO) vindt er een gesprek plaats tussen de OR/GO-kandidaat, de leidinggevende, de HRM-adviseur, naaste collega’s en een OR/GO-lid. Onderwerp van gesprek zijn de consequenties van het OR/GO-werk, de mogelijke invloed op de loopbaan alsmede de tijdsbesteding.

Artikel 14:1:1:5 Vervolggesprekken

Om de eventuele gevolgen van het lidmaatschap op de loopbaan bespreekbaar te houden, vinden jaarlijks -naast de gebruikelijke functioneringsgesprekken- vervolggesprekken plaats tussen het OR/GO-lid, de leidinggevende en de HRM-adviseur.

Artikel 14:1:1:6 Vrijstelling OR-leden

OR-leden hebben recht op een wekelijkse vrijstelling van minimaal 1 dagdeel per week voor vergaderingen, commissiewerk, contacten met het personeel en dergelijke. Gedurende deze uren kunnen zij zich vrij in of buiten de gebouwen bewegen. Voor de voorzitter en de secretaris geldt daar bovenop een toeslag van 50%.

Artikel 14:1:1:7 Vrijstelling GO-leden

GO-leden hebben recht op een vrijstelling van 1 dag per GO-vergadering voor het bijwonen en de voorbereiding hiervan.

Artikel 14:1:1:8 Scholings/vakbondsverlof

OR-leden hebben recht op minimaal 5 dagen per jaar scholingsverlof, te besteden naar eigen inzicht. De aanspraken van GO-leden staan geregeld in artikel 6:4:2 van de CAR/UWO.

Artikel 14:1:1:9 OR/GO tijdsbesteding in werkplan

Het opnemen van tijd geschiedt na melding bij de leidinggevende. De organisatie maakt in haar werkplan(nen) ruimte voor de tijdsbesteding genoemd onder artikel 14:1:1:6 t/m 14:1:1:8. OR/GO leden verantwoorden aan het werk bestede tijd in het tijdschrijfsysteem.

Artikel 14:1:1:10 Vergaderingen binnen werktijd

Vergaderingen vinden zoveel mogelijk binnen de normale werktijd plaats. Indien vergaderingen uitlopen tot na de normale werktijd, worden de desbetreffende uren aangemerkt als overwerk, echter alleen te compenseren in vrije tijd.

Artikel 14:1:1:11 Vergaderingen buiten werktijd

Voor zover vergaderingen buiten het eigen dienstrooster plaatsvinden, worden deze uren aangemerkt als overwerk, echter alleen te compenseren in vrije tijd.

Artikel 14:1:1:12 Tijdbesteding

De gemeentesecretaris/algemeen directeur en de OR/GO-leden kunnen de mate van tijdsbesteding ieder jaar ter sprake brengen en daarbij correcties voorstellen.

Artikel 14:1:1:13 Faciliteiten

Ten behoeve van werkzaamheden krijgen de OR/GO-leden kosteloos ter beschikking:

a

gebruik van telefoon, telefax en kantoorautomatisering;

b

kantoorbenodigdheden, mits besteld op een eigen boekingsnummer;

c

een nader te bepalen werkbudget voor opleiding en overige faciliteiten.

Artikel 14:1:1:14 Reizen i.v.m. OR/GO-werk

Voor reizen in verband met het OR/GO-werk geldt de binnen de gemeente bestaande vergoedingsregeling.

Artikel 14:1:1:15 Opleiding

Het volgen van opleiding geschiedt in overleg, gelet op de mogelijkheden tot verkrijging van subsidie.

Artikel 14:1:1:16 Beschermde positie

De gemeente draagt er zorg voor dat OR/GO-leden niet benadeeld worden in hun normale functie bij de gemeente. Dit houdt onder meer in dat, wanneer het lidmaatschap tot gevolg heeft dat de normale functie binnen de organisatie niet meer volledig vervuld wordt, dit geen nadelige consequenties heeft voor het lid.

Artikel 14:1:1:17 Basis voor beloning

Indeling in salarisschalen, promotievoorstellen en buitengewone beloningen zijn louter gebaseerd op het vervullen van de normale functie binnen de organisatie.

Artikel 14:1:1:18 Basis voor beoordeling

OR/GO-leden worden alleen beoordeeld op het vervullen van hun normale functie binnen de organisatie. OR/GO-leden die menen in hun beoordeling benadeeld te worden door hun OR/GO-werk, kunnen in beroep gaan bij de gemeentesecretaris/algemeen directeur.

15 Overige rechten en verplichtingen UWO-II

Artikel 15:1:15:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a

functie:het samenstel van werkzaamheden waarmee de medewerker door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan gedurende een tijdvak feitelijk is belast;

b

beoordelaar:de hiërarchisch direct leidinggevende, dan wel een door de leidinggevende formeel aangewezen persoon; voor de gemeentesecretaris/algemeen directeur is de burgemeester de beoordelaar en is de wethouder P&O informant;

c

adviseur:de functionaris volgens artikel 15:1:15:3;

d

planningsgesprek:het tweezijdig gesprek tussen leidinggevende en medewerker waarin voor de komende periode, maximaal tot de volgende beoordeling aan de hand van concrete afspraken wordt bepaald:

-

wat de leidinggevende aan prestaties/resultaten en competenties van de medewerker verwacht,

-

de wijze waarop de leidinggevende hierbij behulpzaam is en

-

of ontwikkeling van competenties noodzakelijk is.

e

functioneringsgesprek:het tweezijdig gesprek tussen leidinggevende en medewerker gericht op:

-

het verkrijgen van inzicht in het functioneren,

-

de voortgang van de in het planningsgesprek gemaakte afspraken en eventuele bijstelling daarvan,

-

de werksituatie c.q. arbeidsomstandigheden

-

en de werkbeleving gericht op de ontwikkeling van de medewerker.

f

beoordelingsgesprek:het eenzijdig gesprek tussen de beoordelaar en de medewerker gericht op: het verstrekken van een oordeel over de wijze waarop de medewerker zijn functie heeft uitgeoefend;

g

informant:degene die in een functionele werkrelatie tot de medewerker staat.

h

digitale fubo-popsysteem:het via intranet van de gemeente Haarlemmermeer beschikbare digitale fubo-popsysteem waarin de verslagen worden aangemaakt en opgeslagen. Dit is een beveiligde omgeving waarvoor iedere medewerker een persoonlijke login ontvangt.

Artikel 15:1:15:2 Frequentie gesprekken

Het planningsgesprek, het functioneringsgesprek en het beoordelingsgesprek vinden ten minste eenmaal per jaar plaats.

Onder opgaaf van redenen kan zowel de leidinggevende als de medewerker het initiatief nemen voor het houden van meerdere gesprekken per jaar.

Artikel 15:1:15:3 Adviseur

Adviseur zijn:

-

de HRM-adviseur(s) of zijn plaatsvervanger,

-

de clustermanager HRM of zijn plaatsvervanger bij de beoordeling van de gemeentesecretaris en directeur.

Zij adviseren de beoordelaar en de medewerker desgevraagd over de te volgen procedure.

Artikel 15:1:15:4 Informanten

De beoordelaar kan ten behoeve van het beoordelings- en/of functioneringsgesprek informanten om inlichtingen vragen over het functioneren van de medewerker. De leidinggevende deelt in het beoordelings- en functioneringsgesprek mee wie informanten zijn en welke informatie hij van de informanten heeft gekregen.

Artikel 15:1:15:4 Informanten (Toelichting)

In deze bepaling is geregeld dat de beoordelaar informanten kan vragen hem te voorzien van informatie over het functioneren van de medewerker. Het gebruik van informanten kan een wezenlijke bijdrage leveren aan het functionerings- en beoordelingsgesprek.

Het ligt in de rede diegene als informant te benaderen die in de beoordelingsperiode dan wel in de periode waarop het functioneringsgesprek betrekking heeft, heeft samengewerkt met de medewerker. Dit kan zijn in een project binnen het eigen cluster en/of team maar ook daar buiten. Ook indien de medewerker heeft opgetreden als adviseur kan diegene die is geadviseerd als informant worden gevraagd.

De beoordelaar c.q. leidinggevende kan ook de medewerker zelf vragen informanten aan te dragen.

De informant kan worden gevraagd informatie te geven over het functioneren van de medewerker in relatie tot de kernactiviteiten in de functie van de medewerker, de mate dat de gewenste competenties aanwezig zijn en tot uiting komen en overige zaken.

Artikel 15:1:15:5 Procedure

De direct leidinggevende maakt in principe minimaal twee weken van tevoren met de medewerker een afspraak voor het houden van een planningsgesprek, functioneringsgesprek of beoordelingsgesprek.

Indien de medewerker en/of de beoordelaar dit wenst/wensen, woont/wonen de naasthogere leidinggevende en/of de adviseur en/of een vertrouwenspersoon het (aanvullend) beoordelings- en/of het functioneringsgesprek bij. De medewerker en de beoordelaar informeren elkaar hierover voorafgaand aan het gesprek.

Artikel 15:1:15:6 Verslaglegging en vaststelling plannings- en functioneringsgesprek

Binnen vier weken na het plannings- en functioneringsgesprek maakt de leidinggevende met behulp van het daartoe in het digitale fubo-popsysteem beschikbare formulier een verslag en wordt een automatisch e-mailbericht naar het mailadres van de medewerker bij de gemeente verstuurd dat het verslag is opgemaakt en beschikbaar is in het digitale fubo-popsysteem. De leidinggevende kan bij aanvang van het plannings- en functioneringsgesprek bepalen dat de medewerker binnen twee weken na het gesprek het verslag in concept opstelt.

Indien de leidinggevende en de medewerker niet tot overeenstemming zijn gekomen over de in de planningsperiode te verrichten werkzaamheden, geeft de leidinggevende dit aan op het formulier. De door de medewerker gemaakte op- en aanmerkingen worden meegewogen in het functionerings- en het beoordelingsgesprek.

De medewerker geeft binnen twee weken na ontvangst van het verslag in het digitale fubo-popsysteem aan dat hij het verslag heeft gezien. Door het formulier voor gezien te tekenen wordt door het systeem een automatisch e-mailbericht verstuurd naar de leidinggevende waarmee het verslag is vastgesteld.

Indien de medewerker niet binnen twee weken in het digitale fubo-popsysteem het verslag voor gezien heeft getekend ontvangt de medewerker via het digitale fubo-popsysteem bericht dat het verslag is vastgesteld.

Artikel 15:1:15:7 Scores en verslag beoordelingsgesprek

beoordeling wordt aangeduid met een van de volgende scores:

-

A = voldoet niet aan de gestelde eisen

-

B = verbetering op onderdelen nodig

-

C = voldoet aan de gestelde eisen

-

D = gaat boven de eisen uit.

Indien de medewerker in het beoordelingsgesprek aangeeft het niet eens te zijn met de beoordeling en een aanvullend beoordelingsgesprek wenst, plant de leidinggevende een aanvullend beoordelingsgesprek. Hiervan wordt in het verslag van het beoordelingsgesprek melding gemaakt.

Binnen twee weken na het beoordelingsgesprek of, indien er een aanvullend beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden, binnen twee weken na het aanvullend beoordelingsgesprek maakt de beoordelaar met behulp van het in het digitale fubo-popsysteem beschikbare formulier het verslag en vermeldt daarin de algehele beoordeling op basis van de vierpuntsschaal met de score A, B, C of D.

De medewerker geeft binnen twee weken na ontvangst van het verslag in het digitale fubo-popsysteem aan dat hij het verslag heeft gezien. Door het formulier voor gezien te tekenen wordt door het systeem een automatisch e-mailbericht verstuurd naar de leidinggevende.

Nadat de medewerker het formulier in het digitale fubo-popsyteem voor gezien heeft getekend of indien de termijn van lid 5 is verstreken zonder dat de medewerker daartoe is overgegaan wordt het verslag door de beoordelaar vastgesteld.

Het besluit wordt aan de medewerker bekendgemaakt door uitreiking dan wel verzending aan het huisadres. Bij uitreiking van het besluit tekent de medewerker voor ontvangst.

Artikel 15:1:15:7 Scores en verslag beoordelingsgesprek (Toelichting)

In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de medewerker in het beoordelingsgesprek kan aangeven dat hij een aanvullende beoordelingsgesprek wenst. Voorheen stond hier een termijn van 2 weken na het eerste beoordelingsgesprek voor. Indien de medewerker niet in het gesprek heeft aangegeven een aanvullend beoordelingsgesprek te willen, maar dit een dag later aangeeft, is dit geen aanleiding het aanvullend gesprek te weigeren. Het past in de onderlinge verhoudingen bij Haarlemmermeer om dit geen fatale termijn te laten zijn.

Artikel 15:1:15:11 Vernietiging bescheiden

De krachtens dit reglement geproduceerde verslagen/formulieren worden na vijf jaar vernietigd.

Artikel 15:1:16:1 Functies met dienstkleding

Voor toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

1

medewerker:

a

De ambtenaar die is aangesteld in de functie van:

-

medewerker ondersteuning met bodetaken

-

chauffeur

-

boswachter

-

toezichthouder die aan zijn uniform moet zijn te herkennen

-

medewerker ondersteuning die bij grote evenementen herkenbaar moet zijn aan zijn kleding

b

De ambtenaar die is aangesteld in een functie die vereist dat er veiligheidskleding wordt gedragen.

2

bedrijfskleding:

a

De in de bijlage 1, 2, 3 en 4 genoemde representatieve en/of uniformkleding voor de onder 1a. genoemde medewerker.

b

De in genoemde veiligheidskleding in het kader van de Arbo-wetgeving voor de onder 1b. genoemde medewerker.

Artikel 15:1:16:2 Verstrekken bedrijfskleding

Aan de medewerker wordt voor rekening van de gemeente bedrijfskleding verstrekt.

De bedrijfskleding is en blijft eigendom van de gemeente.

De medewerker is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking of taken de voorgeschreven bedrijfskleding te dragen. Het is de medewerker niet toegestaan de bedrijfskleding voor andere doeleinden dan voor de functie te gebruiken.

De medewerker is verantwoordelijk voor de hem verstrekte bedrijfskleding.

Bij vermissing of beschadiging geeft hij daarvan onmiddellijk kennis aan de leidinggevende.

Artikel 15:1:16:3 Maatkleding en schoenen op maat

Aan de medewerker wordt in overleg met de leidinggevende maatkleding en/of schoenen op maat verstrekt indien daartoe de noodzaak bestaat.

De medewerker die is aangewezen op orthopedische (veiligheids)schoenen die niet geleverd (kunnen) worden door de leverancier van de gemeente, kan in overleg met zijn leidinggevende de schoenen, voor rekening van de gemeente laten vervaardigen door zijn eigen leverancier.

Ook voor deze schoenen gelden de voorgeschreven kleur, het voorgeschreven model en de overige specificaties.

Indien aan de voorwaarden van lid 2 en lid 3 is voldaan worden de aanschafkosten vergoed onder overlegging van de originele factuur.

Eventuele herstellingen kunnen eveneens in overleg met de leidinggevende door de eigen leverancier van de medewerker worden verricht. De kosten van herstellingen worden vergoed onder overlegging van de originele factuur.

Artikel 15:1:16:4 Ontvangst bedrijfskleding

Bij uitreiking van de kleding tekent de medewerker voor ontvangst.

Artikel 15:1:16:5 Inleveren bedrijfskleding

De bedrijfskleding dient te worden ingeleverd bij:

-

het in ontvangst nemen van nieuwe kleding

-

uitdiensttreding

-

aanvaarding van een andere functie

De medewerker krijgt bij inlevering een bewijs van inlevering.

Artikel 15:1:16:6 Administratie

De leidinggevende draagt zorg voor de aan de bedrijfskleding verbonden administratie.

Artikel 15:1:16:7 Onderhoud bedrijfskleding

Het normale onderhoud en kleine herstellingen – het vernieuwen van zolen en hakken daaronder begrepen - geschieden door de zorg en voor rekening van de medewerker.

De grote herstellingen en het chemisch reinigen van de bedrijfskleding geschieden door de zorg en voor rekening van de gemeente op aangeven van de leidinggevende.

Artikel 15:1:16:8 Verstrekkingen en draagtijd

De in de bijlagen onder eerste en volgende verstrekking vermelde aantallen en de onder draagtijd vermelde duur gelden als richtlijn. De leidinggevende beslist over de aantallen en de vervanging van kleding en/of schoenen

De in de bijlage genoemde draagtijd is gebaseerd op een volledige werkweek en dagelijks gebruik. Bij een parttime dienstverband en/of niet dagelijks gebruik wordt de draagtijd naar rato verlengd.

Artikel 15:1:16:9 Vergoeden van schade

Als voor bedrijfskleding tengevolge van aan de medewerker zelf te wijten feiten of omstandigheden die hij redelijkerwijs had kunnen voorkomen, extra kosten worden gemaakt kunnen deze conform artikel 15:1:12 CAR/UWO worden verhaald op de medewerker.

Artikel 15:1:16:10 Onvoorziene gevallen

In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, kan het college een bijzondere voorziening treffen.

Bijlage kledingregeling

Artikel 15:1:22:1 Algemene bepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a

dienstreis:de krachtens bevoegd gegeven opdracht door de ambtenaar ondernomen reis ter uitoefening van zijn betrekking buiten zijn plaats van tewerkstelling alsmede het hiermee verband houdende verblijf buiten deze plaats;

b

plaats van tewerkstelling:het gebouw, gebouwencomplex of terrein dat de ambtenaar voor de normale uitoefening van zijn betrekking is aangewezen;

c

dienstauto:personenauto die aan de ambtenaar ter uitvoering van diens werkzaamheden door de gemeente Haarlemmermeer ter beschikking wordt gesteld;

d

gebruiker:de medewerker aan wie de dienstauto ter beschikking wordt gesteld;

e

zakelijk gebruik:gebruik ten behoeve van de bedrijfsvoering en werkzaamheden van de gemeente Haarlemmermeer;

f

privé-gebruik:gebruik voor privé-doeleinden van de gebruiker.

Artikel 15:1:22:2 Begin- en eindpunt

Een dienstreis heeft als regel de plaats van tewerkstelling als begin- en eindpunt. Bij een dienstreis dient het reisdoel zoveel mogelijk langs de kortste gebruikelijke route te worden bereikt.

Artikel 15:1:22:3 Verbod privé-gebruik dienstauto

Privé-gebruik van de dienstauto is verboden.

Woon-werkverkeer wordt aangemerkt als zakelijk gebruik voor zover dit past binnen de fiscale regelgeving. Onder woon-werkverkeer wordt verstaan: de afstand tussen het huisadres van de gebruiker en het adres van de arbeidsplaats dan wel het adres waar de werkzaamheden door de gebruiker feitelijk worden verricht.

Artikel 15:1:22:4 Stalling dienstauto

De ambtenaar die een dienstauto in gebruik heeft, is verplicht die dagelijks bij het einde van de werkzaamheden op een door de werkgever aangewezen plaats nabij het raadhuis te stallen c.q. te parkeren.

Het college kan in het belang van de dienst van de in lid 1 genoemde verplichting ontheffing verlenen.

Artikel 15:1:22:5 Gebruik dienstauto bij beschikbaarheidsdienst

Indien aan de medewerker een dienstauto ter beschikking staat, worden de gereden kilometers tijdens en ten behoeve van de beschikbaarheidsdienst aangemerkt als zakelijk gebruik.

Het aantal kilometers dat tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt gereden en de plaats van de werkzaamheden waarvoor de gebruiker wordt opgeroepen, worden bijgehouden in de te voeren rittenregistratie.

De gebruiker dient tijdens zijn beschikbaarheidsdienst en bij gebruik van de dienstauto binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven. Onder een redelijke afstand wordt in ieder geval verstaan de afstand waarbij de gebruiker binnen een half uur het adres van de arbeidsplaats of het adres waar de werkzaamheden door de gebruiker feitelijk worden verricht, kan bereiken.

Artikel 15:1:22:5 (Toelichting)

Heeft men beschikbaarheidsdienst dan kan men zijn huis verlaten. Indien men dit doet met gebruik van de dienstauto dan dient de gebruiker binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven. In deze regeling is dat bepaald op een afstand tot de werkplek die in een half uur kan worden overbrugd. Men mag dus wel verder weggaan maar deze meer kilometers zijn in principe privé-kilometers. De betrokken medewerker moet in dergelijke gevallen zijn eigen auto gebruiken.

De fiscus stelt de volgende voorwaarden aan het gebruik van de dienstauto tijdens de beschikbaarheidsdienst:

-

De medewerker heeft geen invloed op de keuze van de aangeschafte auto.

-

De medewerker beschikt privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de werkgever.

-

De medewerker is verplicht tijdens de wachtdienst binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven.

-

De medewerker moet de volgende gegevens bijhouden:

o

het aantal kilometers dat hij tijdens de wachtdienst rijdt

o

het aantal en de plaats van de werkzaamheden waarvoor hij opgeroepen wordt.

Artikel 15:1:22:6 Controle privé-gebruik en rittenadministratie

Het FM Frontoffice van de cluster Facility Management houdt toezicht op de naleving van het verbod op privé-gebruik door controle van de door de gebruiker(s) gevoerde rittenregistratie. Daar waar gewenst of mogelijk zal ook op andere wijze kunnen worden gecontroleerd.

Artikel 15:1:22:7 Sanctie bij overtreding verbod privé-gebruik dienstauto

Overtreding van het verbod op privé-gebruik wordt aangemerkt als plichtsverzuim.

Bij overtreding van het verbod op privé-gebruik van een dienstauto kan een passende disciplinaire maatregel worden opgelegd.

Aan de gemeente opgelegde naheffingen, naheffingsrente en/of boetes die voortvloeien uit door de Belastingdienst geconstateerd privé-gebruik worden op de gebruiker(s) verhaald.

De op te leggen disciplinaire maatregel staat los van de ingevolge de Wet op de Loonbelasting 1964 toe te passen bijtelling bij privé-gebruik voor meer dan 500 km op kalenderjaarbasis.

Artikel 15:1:22:8 Verklaring geen privé-gebruik personenauto

De gebruiker van een personenauto is verplicht een “Verklaring geen privé-gebruik” bij de Belastingdienst aan te vragen. Deze verklaring met de bijbehorende beschikking van de Inspecteur der Belastingen dient de gebruiker aan het FM Frontoffice van de cluster Facility Management te overleggen.

De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet voor de personenauto die afwisselend door 2 of meer personen wordt gebruikt.

Indien niet aan de in het eerste lid genoemde verplichting wordt voldaan, zal ingevolge de Wet op de Loonbelasting 1964 een fiscale bijtelling ten aanzien van de gebruiker worden toegepast.

Wijziging van de omstandigheden waaronder de “Verklaring geen privé-gebruik” is aangevraagd alsmede intrekking van deze verklaring moet de ambtenaar zo spoedig mogelijk melden aan de Belastingdienst en de personeelsadministratie.

Artikel 15:1:22:8 (Toelichting)

Indien een dergelijke verklaring aanwezig is ontslaat dit de werkgever om een bijtelling toe te passen en daarover loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw in te houden. Het ontslaat de medewerker echter niet om, indien de belasting daarom vraagt door middel van een sluitende rittenadministratie aan te tonen dat er inderdaad niet meer is gereden dan 500 privé-kilometers.

Artikel 15:1:22:9 Rittenregistratie dienstauto

De gebruiker is te allen tijde verplicht een sluitende rittenregistratie te voeren teneinde het gebruik te verantwoorden.

De rittenregistratie dient de volgende gegevens te vermelden: merk en type auto, kentekennummer en periode waarin de auto ter beschikking staat. Voor elke rit dienen de volgende gegevens te worden ingevuld: datum, de begin- en eindstand van de kilometerteller, vertrek en aankomstadres en gereden route (indien niet meest gebruikelijke route).

Het FM Frontoffice van de cluster Facility Management houdt toezicht op de juiste uitvoering van de rittenregistratie.

De rittenregistratieformulieren worden ingenomen door en gearchiveerd bij het FM Frontoffice van de cluster Facility Management waar zij beschikbaar zijn voor belastingcontroles.

De juistheid van de rittenadministratie kan door de Belastingdienst worden gecontroleerd aan de hand van bijvoorbeeld afsprakenoverzichten, orderbriefjes, garagenota’s, elektronische routeplanners en dergelijke. Gebruikers dienen dergelijke bewijzen te bewaren omdat de Belastingdienst hierom kan vragen.

Indien de gebruiker(s) geen sluitende rittenregistratie voert c.q. voeren, zal ingevolge de Wet op de Loonbelasting 1964 een fiscale bijtelling worden toegepast.

Artikel 15:1:22:9 (Toelichting)

Volgens vaste jurisprudentie is dat de weg die door het merendeel van de belastingplichtigen bij gebruik van een zelfde soort vervoermiddel zou worden gevolgd.

Hierbij dient de bezochte locatie zo nauwkeurig mogelijk te worden aangeduid met de wel ter beschikking staande gegevens.

Artikel 15:1:22:10 Hardheidsclausule dienstauto

In bijzondere gevallen waarin deze bepalingen ten aanzien van de dienstauto niet of niet naar billijkheid voorzien, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking daarvan beslissen voor zover de (fiscale) regelgeving dit toelaat.

Artikel 15:1:22:11 Dienstreis met openbare vervoer

Wegens reiskosten per openbaar vervoer worden aan de ambtenaar vergoed de kosten van het openbaar vervoer die in verband met de dienstreis zijn gemaakt. Het is de ambtenaar die tijdens een dienstreis gebruikmaakt van vervoer per trein toegestaan voor gemeenterekening eerste klasse te reizen.

Indien naar het oordeel van het college het dienstbelang ermee gebaat is dat de ambtenaar tijdens een dienstreis naast openbaar vervoer tevens gebruikmaakt van een taxi, worden de aan dat taxigebruik verbonden kosten volledig vergoed.

Artikel 15:1:22:11 (Toelichting)

Toeslagen voor bijzondere vormen van openbaar vervoer waardoor de reistijd woon-werkverkeer wordt bekort, zoals bij de Fyra, komen voor vergoeding in aanmerking. Is de toeslag uitsluitend vanwege een meer comfortabele manier van reizen of betreft het een internationale trein dan wordt de toeslag niet vergoed.

Artikel 15:1:22:12 Dienstreis met eigen motorvoertuig

Aan de ambtenaar, niet werkzaam in een functie met auto noodzaak, die met toestemming van zijn leidinggevende de eigen auto gebruikt voor dienstdoeleinden, wordt voor zodanig gebruik een vergoeding verleend gelijk aan de kilometervergoeding die de belastingdienst toestaat onbelast te vergoeden.

Aan de ambtenaar, werkzaam in een functie met auto noodzaak wordt voor het gebruik van de eigen auto ten behoeve van dienstdoeleinden een vergoeding verleend ad € 0,37 bruto.

Artikel 15:1:22:13 Dienstreis met eigen fiets of bromfiets

Aan de ambtenaar die met toestemming van de leidinggevende de eigen fiets of bromfiets gebruikt voor dienstdoeleinden, wordt voor zodanig gebruik een vergoeding verleend van respectievelijk € 0,05 en € 0,10.

Artikel 15:1:22:14 Bijkomende reiskosten dienstreis

De bij een dienstreis noodzakelijk gemaakte kosten voor het gebruikmaken van een parkeerplaats, garage of stalling, bruggelden, overvaartgelden, tunnelgelden en dergelijke worden volledig vergoed. De daarover verschuldigde loonheffing komt voor gemeenterekening.

Artikel 15:1:22:15 Verblijfkosten

De ambtenaar ontvangt voor de in verband met een dienstreis van langere duur dan vier uren, die zich uitstrekt tot over de grens van de gemeente, noodzakelijk gemaakte kosten voor maaltijden en logies de navolgende vergoeding:

-

€ 8,15 voor een ontbijt

-

€ 13,63 voor een lunch

-

€ 20,62 voor een avondmaaltijd

-

€ 83,42 voor logies.

De aanspraak voor vergoeding van kosten van maaltijden en logies volgens lid 1 bestaat slechts indien:

-

voor logies en ontbijt: de overnachting binnen de dienstreis valt;

-

voor een lunch: de tijd tussen 12.00 en 14.00 uur geheel in de dienstreis valt;

-

voor een avondmaaltijd: de tijd tussen 18.00 en 20.00 uur geheel in de dienstreis valt.

Artikel 15:1:22:16 Declareren

Het declareren van reis- en verblijfkosten geschiedt met gebruikmaking van het declaratieformulier dienstreizen en onder overlegging van bewijsstukken. De direct leidinggevende van de ambtenaar dient het formulier voor akkoord te ondertekenen.

De ambtenaar die voor eigen rekening een 0V-jaarkaart of 0V-kortingskaart heeft aangeschaft, kan hiervan een fotokopie bij de personeels- en salarisadministratie deponeren.

In dat geval vergoedt het college het volle tarief van de dienstreis, ook indien geen vervoersbewijs kan worden overgelegd, dan wel een vervoersbewijs wordt overgelegd dat is afgegeven tegen gereduceerd tarief.

Per kalenderjaar kan de aan de ambtenaar uitgekeerde vergoeding, zijnde het verschil tussen het volle tarief en de werkelijk gemaakte kosten niet hoger zijn dan de aanschafkosten van de OV jaarkaart of OV-kortingskaart.

Artikel 15:1:22:17 Tariefsaanpassingen

De in de artikelen 15:1:22:12, 15:1:22:13 en 15:1:22:15 genoemde bedragen worden zonder nader besluit, zo nodig naar rato, aangepast aan de tariefwijziging in de Reisregeling binnenland (AB93/U280, Staatscourant 56).

Artikel 15:1:22:18 Hardheidsclausule

Het college beslist, indien nodig, in gevallen waarin deze regeling niet of niet naar redelijkheid voorziet.

17 Opleiding en ontwikkeling UWO-II

Artikel 17:1:1:1 Aanvraag en declaratie studiekosten

Voor het aanvragen van vergoeding van studiekosten dient gebruik te worden gemaakt van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

Voor het declareren van studiekosten dient gebruik te worden gemaakt van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier. Bij de declaraties dienen rekeningen en betalingswijzen van studiemateriaal en lesgelden te worden overlegd.

Artikel 17:3:0:1 Besteding "premiekorting in dienst hebben oudere werknemers"

Na overleg, als bedoeld in artikel 17:3 lid 2 CAR, worden de afspraken over de besteding van het bedrag van de "premiekorting in dienst hebben oudere werknemers" op het functioneringsgesprekformulier vastgelegd.

De besteding dient werkgerelateerd te zijn.

Het bedrag moet besteed worden in het jaar dat de premiekorting wordt verleend.

De ambtenaar die gebruikmaakt van artikel 17:3 lid 2 dient gebruik te maken van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

18 Bedrijfsvervoersplan en verhuiskostenregeling UWO-II

Artikel 18:1:1:1 Begripsbepaling

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

dienstgebouw:het gebouw of gebouwencomplex waarin de dienst of het dienstonderdeel is gehuisvest, waartoe de ambtenaar behoort.

Artikel 18:1:1:2 Vergoeding woon-werkverkeer met openbaar vervoer

De ambtenaar die reist met het openbaar vervoer, komt, voor zover de kosten betrekking hebben op de dagen waarop werkzaamheden zijn verricht, in aanmerking voor een tegemoetkoming. *1

De tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer voor het dagelijks heen en weer reizen van en naar de woonplaats bedraagt 85% van de werkelijke kosten, met dien verstande dat alleen die kosten in ogenschouw worden genomen, behorend bij het meest gangbare woon- werktraject.

Indien een onderdeel van het traject met de trein wordt afgelegd worden maximaal de kosten verbonden aan de 2e klasse in aanmerking genomen.

De tegemoetkoming kan slechts worden toegekend indien men woont op een afstand van 10 of meer kilometers van het dienstgebouw.

De declaratie dient gepaard te gaan met het originele vervoerbewijs.

*1 Naast de normale verkooppunten is een maand/jaar/traject-kaart verkrijgbaar bij de personeels- en salarisadministratie van de cluster HRM

Artikel 18:1:1:2 (Toelichting)

Toeslagen voor bijzondere vormen van openbaar vervoer waardoor de reistijd woon-werkverkeer wordt bekort, zoals bij de Fyra, komen voor vergoeding (85%) in aanmerking. Is de toeslag uitsluitend vanwege een meer comfortabele manier van reizen of betreft het een internationale trein dan wordt de toeslag niet vergoed.

Artikel 18:1:1:3 Jaarabonnement

Bij aanschaf van een jaarabonnement zijn maandelijkse voorschotbetalingen mogelijk. Indien na afloop van het abonnement het abonnement niet binnen een redelijke termijn wordt overgelegd aan de personeels- en salarisadministratie worden de voorgeschoten bedragen verrekend met nog uit te betalen bezoldiging.

Na 3 maanden volledige arbeidsongeschiktheid, zonder dat uitzicht is op geheel dan wel gedeeltelijk herstel binnen één maand, worden de voorschotbetalingen gestaakt.

Artikel 18:1:1:4 Woon-werkverkeer per fiets

De ambtenaar, woonachtig binnen een straal van dan 30 kilometer van het dienstgebouw, komt eenmaal in de 3 jaar in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten voor aanschaf van een fiets ten behoeve van woon-werkverkeer.

De hoogte van de tegemoetkoming is gelijk aan de aanschafkosten maar niet hoger dan de vergoeding die belastingvrij mag worden gegeven (2012: € 749,00). Bij het declaratieformulier dienen de factuur, het betalingsbewijs en de fietsverklaring te worden gevoegd.

De ambtenaar bedoeld in het eerste lid, ontvangt jaarlijks in december de belastingvrije vergoeding voor met de fiets samenhangende zaken (2012: € 82).

In afwijking van het vorige lid wordt in het jaar van aanschaf van de fiets de (volledige) vergoeding voor met de fiets samenhangende zaken niet in december, maar tegelijk met de vergoeding voor de fiets uitbetaald.

De vergoeding voor met de fiets samenhangende zaken wordt naar rato uitbetaald indien de ambtenaar van de fiets overstapt op een andere wijze van vervoer en de daarmee samenhangende vergoeding voor woon-werkverkeer, alsmede bij uitdiensttreding.

Het bovenstaande is gebaseerd op hetgeen fiscaal is toegestaan. Indien hierin wijziging komt, worden de wijzigingen geacht te zijn opgenomen in de hierboven weergegeven bepalingen.

Artikel 18:1:1:5 Terugbetaling vergoeding fiets en met de fiets samenhangende zaken

In het geval de ambtenaar binnen 3 jaar na toekenning van de tegemoetkoming voor de fiets opteert voor een vergoeding samenhangend met een andere vervoerwijze, dan wel indien sprake is van einde dienstverband, dient de ambtenaar de restwaarde van de fiets aan de gemeente te voldoen.

De restwaarde van de fiets wordt berekend door de hoogte van de tegemoetkoming te vermenigvuldigen met een breuk waarbij

-

de teller wordt gevormd door het aantal maanden dat resteert van de termijn van 3 jaar;

-

de noemer wordt gevormd door 36.

In het geval de ambtenaar de vergoeding voor met de fiets samenhangende zaken reeds bij de vergoeding voor de fiets heeft ontvangen en hij in datzelfde kalenderjaar opteert voor een vergoeding samenhangend met een andere vervoerwijze, alsmede bij uitdiensttreding, dient de vergoeding voor met de fiets samenhangende zaken naar rato te worden terugbetaald.

Het terug te betalen bedrag van de vergoeding voor met de fiets samenhangende zaken wordt berekend door de vergoeding te vermenigvuldigen met een breuk waarbij

-

de teller wordt gevormd door het aantal maanden tussen het moment dat men gestopt is met fietsen in het kader van woon-werkverkeer en het einde van het kalenderjaar;

-

de noemer wordt gevormd door het aantal maanden tussen de aanschaf van de fiets en het einde van het kalenderjaar.

Verrekening vindt, indien mogelijk, plaats via het salaris.

Artikel 18:1:1:6 Combinatie fiets – openbaar vervoer woon-werkverkeer

De ambtenaar die een tegemoetkoming heeft ontvangen zoals bedoeld in artikel 18:1:1:4 en woonachtig is in een straal van 10 tot 30 kilometer, kan gedurende maximaal 5 aaneengesloten maanden in de periode oktober tot en met april, in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten, verbonden aan het openbaar vervoer.

De bepalingen van artikel 18:1:1:2 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18:1:1:7 Autonoodzaak

Het college bepaalt op voordracht van de directeur voor welke functie men noodzakelijk de eigen auto dient te gebruiken.

De vergoeding van reiskosten voor woon-werkverkeer, voor de ambtenaar die een functie vervult waarvoor het gebruik van de eigen auto noodzakelijk is, bedraagt per gereden kilometer en langs de kortste gebruikelijke weg gemeten van de woonplaats naar het dienstgebouw een kilometervergoeding gelijk aan de maximale kilometervergoeding die onbelast mag worden uitbetaald.

Voor de berekening van deze tegemoetkoming worden maximaal 30 kilometers per werkdag in aanmerking genomen.

Bij de berekening van de vergoeding wordt rekening gehouden met het jaarlijks rechtens toekomende vakantieverlof door de tegemoetkoming per maand te vermenigvuldigen met de breuk 11/12e.

Artikel 18:1:1:8 Carpoolen

De ambtenaar die met eigen motorvoertuig carpoolt, komt in aanmerking voor een vergoeding indien door de deelnemers een carpoolverklaring is ingeleverd bij de personeels- en salarisadministratie.

Voor het overleggen van een carpoolverklaring dient gebruik te worden gemaakt van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

Voor de berekening van deze tegemoetkoming worden maximaal 30 kilometers per carpooldag in aanmerking genomen. Bij de berekening van de vergoeding wordt rekening gehouden met het jaarlijks rechtens toekomende vakantieverlof door de tegemoetkoming per maand te vermenigvuldigen met de breuk 11/12e.

De tegemoetkoming wordt slechts toegekend indien de ambtenaar en ten minste één collega met wie hij carpoolt, wonen op een afstand van meer dan 10 kilometer van het dienstgebouw, berekend op basis van de kortste, meestgebruikelijke weg voor woon-werkverkeer.

De vergoeding is gelijk aan de maximale kilometervergoeding die onbelast mag worden uitbetaald (sinds 2006 € 0,19).

Voor het declareren dient gebruik te worden gemaakt van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

Artikel 18:1:1:9 Vergoeding woon- werkverkeer bij dienstreizen (eigen auto)

In het geval de ambtenaar met toestemming van de leidinggevende de eigen auto gebruikt voor een dienstreis, zonder dat aan de functie van de ambtenaar de autonoodzaak is verbonden, dan ontvangt de ambtenaar voor de van zijn woonplaats naar het dienstgebouw, langs de meest gebruikelijk weg gereden kilometers, een vergoeding gelijk aan de maximale kilometervergoeding die onbelast mag worden uitbetaald (sinds 2006 € 0,19).

Daarnaast ontvangt de ambtenaar een vergoeding voor de voor het parkeren nabij het raadhuis gemaakte kosten.

Artikel 18:1:1:10 Saldering kilometervergoeding bij autonoodzaak

Voor zover fiscaal mogelijk is en de reiskostenvergoeding op grond van de CAR/UWO en UWO-II aan de medewerker fiscaal bovenmatig is, strekt deze reiskostenvergoeding mede tot het vergoeden van reiskosten die op grond van de rechtspositie niet of gedeeltelijk worden vergoed en die de werkgever nog aanvullend kan vergoeden.

De periode waarop het bepaalde in het eerste lid van toepassing is kan naar keuze van de ambtenaar worden vastgesteld op een kalendermaand, kalenderkwartaal, half kalenderjaar of een heel kalenderjaar.

Bij tussentijdse beëindiging van de dienstbetrekking in de loop van een kalenderjaar dient de na toepassing van het eerste lid verschuldigde loonheffing te worden ingehouden uiterlijk in de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin de dienstbetrekking eindigt.

Indien op grond van het tweede lid is gekozen voor een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of een heel kalenderjaar worden de vergoedingen genoemd in artikel 15:1:22:12 en in artikel 18:1:1:7 UWO-II geacht te zijn toegekend bij wijze van voorschot.

Na afloop van de gekozen periode worden de in het vierde lid bedoelde vergoedingen definitief vastgesteld.

Artikel 18:1:1:11 Hardheidsbepaling

Het college beslist, indien nodig, in gevallen waarin deze regeling niet of niet naar redelijkheid voorziet.

Artikel 18:1:2:1 Wenselijke verhuizing

Met de verplichte verhuizing, zoals bedoeld in artikel 18:1:2, lid 1 CAR/UWO wordt gelijkgesteld de verhuizing die door het college wenselijk wordt geacht.

Artikel 18:1:2:2 Voorwaarden verhuiskostenvergoeding

Ter nadere uitwerking van artikel 18:1:2, lid 1 CAR/UWO wordt een ambtenaar geacht meer nabij de standplaats te komen wonen indien de afstand woning-werk vóór de verhuizing meer dan 25 kilometer bedroeg en door de verhuizing wordt verminderd tot minder dan 10 kilometer.

De voorwaarde in lid 1 is gebaseerd op hetgeen fiscaal is toegestaan. Indien hierin wijziging komt, wordt de wijziging geacht hierin te zijn opgenomen.

23 Rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar burgerlijke stand

Artikel 23:2:2:1 Begripsomschrijving

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan:

a

buitengewoon ambtenaar: de bezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bedoeld in het Reglement op de burgerlijke stand.

b

CAR/UWO: de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst van de gemeente Haarlemmermeer.

Artikel 23:2:2:1 (Toelichting)

De wet-Mulder heeft met ingang van 1 januari 1995 de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) geïntroduceerd. De buitengewoon ambtenaar burgerlijke stand (babs) wordt aangesteld door het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1: artikel 16). Gemeenten hebben een Reglement burgerlijke stand. Daarin kan geregeld zijn welke benoemingsmogelijkheden er zijn. Gemeenteambtenaren, en ook burgemeester, wethouders en leden van de raad, kunnen tot (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand benoemd worden. Tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) kunnen bovendien anderen, niet werkzaam bij de gemeente, benoemd worden. De gemeenteambtenaar, de burgemeester, de wethouders en de raadsleden worden beschouwd als onbezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. De vergoeding voor de werkzaamheden is (in het algemeen) alleen op de medewerkers van buiten de gemeentelijke organisatie van toepassing. De babs is een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. Omdat de CAR/UWO niet op hem van toepassing is dient een afzonderlijke rechtspositieregeling te gelden (art. 125 Ambtenarenwet). Doorgaans is de functie van babs een nevenfunctie, die in omvang sterk kan variëren.

Artikel 23:2:2:2 Aanstelling

Aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd.

Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege.

Artikel 23:2:2:2 (Toelichting)

In het lokale Reglement burgerlijke stand kan een benoemingstermijn geregeld zijn, vaak is dat 5 of 10 jaar. Het kan wenselijk zijn om kortere aanstellingen te verlenen. Het gevolg van een kortere aanstellingsduur is onder meer dat de verplichtingen van de gemeente jegens de ambtenaar in het kader van ziekte (doorbetaling bezoldiging, reïntegratie) eerder ophouden te bestaan, namelijk bij einde van het dienstverband. Bovendien geldt voor de duur van het nog resterende dienstverband dat van de werkgever geen onredelijke inspanningen gevergd worden door het UWV. Op de toepasselijkheid van de arbeidsongeschiktheidswetgeving op de babs wordt verder ingegaan bij de toelichting op artikel 4. De aanstelling kan opnieuw tijdelijk verleend worden. De flexwetbepaling geldt niet omdat noch de CAR/UWO, noch het Burgerlijk Wetboek (7:615 BW) van toepassing is.

Bij het benoemen van een personeelslid of raadslid (dan wel andere politieke ambtsdrager) tot babs is het raadzaam de benoeming te beperken tot de periode waarin het (politieke) ambt wordt vervuld.

Artikel 23:2:2:3 Bezoldiging

De buitengewoon ambtenaar ontvangt een bezoldiging in de vorm van een vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap gelijk aan:

- voor een huwelijk in het raadhuis

- 3 ½ maal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van schaal 8, bijlage IIa van de CAR/UWO

- voor een huwelijk buiten het raadhuis

- 4 ½ maal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van schaal 8, bijlage IIa van de CAR/UWO

De vergoeding bedoeld in het eerste lid, wordt opgehoogd met het percentage voor onregelmatigheid van artikel 3:3 CAR/UWO en artikel 3:0:1:16 UWO-II.

De vergoeding bedoeld in het eerste lid, wordt opgehoogd met het percentage van de vakantietoelage van artikel 6:3, tweede lid, van de CAR/UWO.

De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met het percentage van de eindejaarsuitkering van artikel 3:6 van de CAR/UWO.

De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met een percentage van 8,6% ter compensatie van het niet genieten van het vakantieverlof.

Artikel 23:2:2:3 (Toelichting)

Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor ambtenaren nadere regels voor de bezoldiging moeten worden getroffen. Artikel 3 van deze regeling voorziet hierin. Per huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt een vergoeding uitbetaald waarin de vakantietoelage en eindejaarsuitkering zijn verdisconteerd. De berekeningsystematiek is dezelfde als die in de CAR/UWO, dat wil zeggen dat de vakantietoelage wordt gebaseerd op de bezoldiging en de eindejaarsuitkering op het salaris.

Voorbeeld salarisberekening:

Salaris per verrichting

€ 68,25 (3 ½ maal 1/156e deel van € 3042)

Vakantietoelage

€ 5,46 (8% van € 68,25)

Eindejaarsuitkering

€ 4,10 (6% van € 68,25)

Compensatie vakantie-uren

€ 5,87 (8,6% van € 68,25)

Totaal

€ 83,68

In het vierde lid wordt het recht op vakantie-uren, dat de ‘normale’ gemeenteambtenaar heeft op grond van artikel 6:2 van de CAR, afgekocht door het toekennen van een vergoeding van 8,6%. Dit percentage is gebaseerd op de breuk tussen het aantal vakantie-uren per jaar (158,4 uren) en de arbeidsduur per jaar (1836 uren) van de gemeenteambtenaar. Vakantie-aanspraken worden afgekocht vanwege het oproepkarakter van de werkzaamheden.Het aanspraak maken op wettelijke vakantiedagen in het uurloon is niet meer toegestaan sedert de uitspraak van het Europese Hof van 16 maart 2006. In deze rechtspositieregeling babs is de afkoop van vakantie desalniettemin gehandhaafd. Reden daarvoor is dat de babs in verband met zijn hoofdfunctie al gebonden zal zijn aan het opnemen van het wettelijk minimum aan vakantie. In de praktijk zijn babsen bovendien veelal vrij om huwelijken in te plannen. In de meeste gemeenten zal op basis van het bovenstaande gekozen kunnen worden voor handhaven van de afkoop. De uitspraak van het Hof brengt echter wel met zich mee dat een babs formeel niet het recht ontzegd kan worden om de in zijn nevenfunctie opgebouwde vakantie daadwerkelijk op te nemen, ondanks het feit dat deze reeds is afgekocht. Per verrichting, gelijkgesteld aan 3 ½ uur, wordt 0,30 uur vakantie opgebouwd. Is de verrichting gelijkgesteld aan 4 ½ uur, dan is de vakantieopbouw 0,38 uur.

Artikel 23:2:2:4 Aanspraken bij ziekte

Bij ziekte van de buitengewoon ambtenaar jonger dan 65 jaar zijn de artikelen 7:1 tot en met 7:3 (definities, begeleiding en recht op bezoldiging bij ziekte), 7:9 tot en met 7:14 (verplichtingen en sancties) en 7:19 tot en met 7:21 (samenloop doorbetaling bezoldiging en uitkering) van de CAR/UWO van overeenkomstige toepassing.

Voor toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan: het gemiddelde van het totaal aan vergoedingen bedoeld in artikel 23:2:2:3, over de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar. Voor zover de ambtenaar op deze datum zijn betrekking nog geen 12 maanden heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand is toegekend over de periode waarin hij in dienst is.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de eerste dag van ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar verstaan: de dag waarop de ambtenaar is aangewezen om een huwelijk te voltrekken of geregistreerd partnerschap te registreren, waarvoor hij wegens ziekte is verhinderd.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen.

Artikel 23:2:2:4 (Toelichting)

De regeling verklaart de CAR/UWO op het punt van doorbetaling bezoldiging bij ziekte van toepassing op de babs jonger dan 65 jaar. Achtergrond hiervan is het dwingende karakter van de sociale wetgeving die zieke werknemers (voor zover jonger dan 65 jaar) rechten en plichten toekent. Artikel 76a van de Ziektewet geeft de persoon “krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden tot het verrichten van arbeid” bij ziekte het recht op 104 weken (of zolang als het dienstverband nog duurt) doorbetaling van 70% van de bezoldiging of, indien de bezoldiging op een ander wijze dan naar tijdruimte vastgesteld wordt, de gemiddelde bezoldiging die betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen. De CAR/UWO geeft aanspraak op een hoger doorbetalingpercentage dan 70%.

Eerste dag van ongeschiktheid: in lid 3 is bepaald (conform de Ziektewet) welke dag als eerste ziektedag geldt. Het is niet de bedoeling dat de babs direct bij aanvang van het ziekteverzuim bezoldiging krijgt doorbetaald, maar pas vanaf het tijdstip dat hij een huwelijk zou sluiten als hij niet ziek was geweest. In de praktijk van de babs zal het overigens niet altijd duidelijk zijn of en wanneer de eerste ziektedag valt en daarmee op welk moment de doorbetaling bezoldiging ingaat, bijvoorbeeld omdat een rooster ontbreekt en de babsen zelf voor vervanging zorg dragen. Men zou in dat geval een vaste termijn van 14 dagen of een maand na ziekmelding kunnen afspreken als zijnde de (fictieve) eerste ziektedag, afhankelijk van de regelmaat waarmee de babs werkzaamheden verricht. Nadere regels zullen op de lokale situatie toegesneden moeten worden.Ook het tijdstip van uitbetalen van de doorbetaling bezoldiging dient lokaal nader bepaald worden (bijvoorbeeld per maand, per jaar, na herstel).

De babs is verplicht zo spoedig mogelijk zijn verhindering tot werken door te geven; in artikel 6 van deze regeling is artikel 15:1d van de CAR/UWO op de babs van toepassing verklaard. Ook het artikel 7:9 lid 4 (verzuimprotocol) van de CAR/UWO is van toepassing verklaard op de babs.

Naast het recht op doorbetaling van bezoldiging staat de verplichting van werkgever en werknemer (jonger dan 65 jaar) zich in te spannen tot reïntegratie in het arbeidsproces. In de praktijk wordt deze verplichting niet altijd als wenselijk beschouwd. De babs is op grond van het Burgerlijk Wetboek immers uitsluitend benoemd tot het verrichten van de formaliteiten rondom en sluiting van het huwelijk/geregistreerd partnerschap. Bovendien heeft de babs in de regel een hoofdfunctie waar van uit reïntegratieverplichtingen bestaan. In de praktijk zal bezien moeten worden hoe arbodienstverleners en het UWV omgaan met de verplichting tot reïntegratie van de gemeente ten aanzien van een zieke babs.

Artikel 23:2:2:5 Ontslag en schorsing

Ontslag kan worden verleend overeenkomstig de artikelen 8:1 (op verzoek), 8:2 en 8:2a (na ouderdomspensioen), 8:3 (wegens reorganisatie), 8:4, 8:5 en 8:5a (wegens arbeidsongeschiktheid), 8:6 (wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid), 8:7 en 8:8 (overige ontslaggronden), 8:11 (wegens FPU), 8:12 en 8:12:1 (van rechtswege en tussentijdse ontslag uit tijdelijke aanstelling) en 8:13 (als disciplinaire straf) van de CAR/UWO.

Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig artikel 8:15:1 en 8:15:2 van de CAR/UWO.

Artikel 23:2:2:5 (Toelichting)

De babs wordt geschorst en ontslagen door het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1: artikel 16). Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor schorsing, ontslag en uitkering nadere regels worden getroffen. Er wordt een limitatieve opsomming gegeven van de ontslaggronden voor de babs, onder verwijzing naar de CAR/UWO. Opgemerkt wordt dat ontslag na ouderdomspensioen niet verplicht is. Artikel 8:2 tweede lid en 8:2a bieden de mogelijkheid om een gepensioneerde in dienst te houden dan wel te nemen. Het dienstverband met een gepensioneerde is op grond van artikel 8:2a eenvoudig te beëindigen.

Artikel 23:2:2:6 Overige rechten en verplichtingen

De artikelen 15:1, 15:1b tot en met 15:1g (verplichtingen rond integriteit), 15:1:12 (vergoeding van schade), 15:1:15 (beoordeling van de ambtenaar), 15:1:16 (uniform of dienstkleding), 15:1:19 (verbod betreden arbeidsterrein), 15:1:20 (infectieziekten), 15:1:23 tot en met 15:1:25 (vergoeden van schade) en 15:2 (bescherming klokkenluider) van de CAR/UWO zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23:2:2:6 (Toelichting)

De rechten en plichten van hoofdstuk 15 van de CAR/UWO worden hier voor een groot gedeelte ook op de babs van toepassing verklaard. Voor de inhoud van de artikelen wordt verwezen naar de CAR/UWO. Enkele opmerkingen hierover: De eed of belofte is niet van toepassing verklaard op de babs omdat eedaflegging reeds op grond van het BW verplicht is. De personeelsbeoordeling is van toepassing omdat in de ontslaggrond ‘onbekwaamheid/ongeschiktheid anders dan’ aan de orde kan zijn. Een beoordeling kan bij toepassing van die ontslaggrond van belang zijn, evenals bij een weigering om opnieuw een aanstelling te verlenen.

De reguliere bepalingen over schadevergoeding door en aan de ambtenaar zijn van toepassing verklaard. In het algemeen kan gezegd worden dat de gemeente aansprakelijk is voor fouten van ondergeschikten en een zorgplicht heeft ten aanzien van de ondergeschikten zelf. Gemeenten kunnen bij aansprakelijkheid voor schade terugvallen op de aansprakelijkheidsverzekering die personenschade, zaakschade en vermogensschade dekt. Onder deze verzekering valt een ruime groep van ondergeschikten van de gemeente, waaronder de babs. Ook valt hieronder de babs die slechts voor één enkele gelegenheid werkzaamheden verricht.

Artikel 23:2:2:7 Reis- en verblijfkosten

Reis- en verblijfkosten ter zake van reizen in het belang van de dienst worden, indien voor de dienstreis vooraf toestemming is verkregen van de leidinggevende, op declaratiebasis vergoed. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan hetgeen fiscaal onbelast per kilometer mag worden vergoed (2012f: € 0,19)

Artikel 23:2:2:7 (Toelichting)

De kosten bij dienstreizen worden op declaratiebasis vergoed. Dit geniet de voorkeur boven een vaste onkostenvergoeding die aan belastingheffing is onderworpen. De gemeente Haarlemmermeer is een aantrekkelijke gemeente voor voltrekking van het huwelijk. Hierdoor neemt de belangstelling van toekomstige bruidsparen van buiten de gemeente toe. Om aan de kosten, verbonden aan een huwelijk, paal en perk te stellen dienen de voorbereidende gesprekken tussen bruidspaar en de babs plaats te vinden op een locatie binnen de gemeente Haarlemmermeer dan wel op de trouwlocatie binnen Haarlemmermeer. Autokilometers tussen woonhuis en raadhuis worden tevens vergoed tegen de fiscaal toegestane kilometervergoeding.

Artikel 23:2:2:8

De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan disciplinair worden gestraft, overeenkomstig hoofdstuk 16 van de CAR/UWO.

Artikel 23:2:2:9 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 23:2:2:10

Deze regeling kan worden aangehaald als de rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlemmermeer.

30 Spaarloonregeling UWO-II

Artikel 30:1:1:1 Algemene bepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a

werkgever:de gemeente Haarlemmermeer;

b

deelnemer:hij die in vaste of tijdelijke dienst is van de gemeente Haarlemmermeer, daaruit loon ontvangt waarop de algemene heffingskorting wordt toegepast, en een formulier heeft ingediend als bedoeld in artikel 30:1:1:2 lid 1;

c

partner:degene met wie de deelnemer een notarieel samenlevingscontract is overeengekomen, inhoudende (enige) vermogensrechtelijke aangelegenheden, mits de deelnemer en zijn partner beiden ongehuwd zijn, geen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van elkaar zijn en gedurende ten minste een half jaar een gezamenlijke huishouding voeren (Resolutie Staatssecretaris van Financiën van 18-3-1992, nummer DB92//1519);

d

verzekering:de levensverzekering die voldoet aan de definitie van de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf;

e

spaarloon:ieder overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk maandelijks op het brutosalaris ingehouden bedrag;

f

spaarinstelling:AEGON Bank N.V. gevestigd te Leeuwarden;

g

verzekeraar:AEGON Levensverzekering N.V. gevestigd te Leeuwarden.

Artikel 30:1:1:2 Deelname

Toetreding als deelnemer kan geschieden door het inleveren van een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier bij de personeels- en salarisadministratie, waarmee de werkgever wordt gemachtigd om maandelijks een bedrag in te houden van het salaris en het aldus ingehouden spaarloon overeenkomstig artikel 30:1:1:3 over te maken aan de verzekeraar dan wel spaarinstelling.

Toetreding als deelnemer kan uitsluitend geschieden indien men op 1 januari van het jaar van aanmelding in dienst is, en vindt plaats per de eerste van de maand volgend op die waarin het formulier als bedoeld in lid 1 is ingekomen bij de in dat lid bedoelde administratie.

Wijziging van het maandelijks in te houden bedrag aan spaarloon kan eenmaal per jaar plaatsvinden, te weten per 1 januari; hiertoe zendt de deelnemer voor 1 december een schriftelijk verzoek aan de in lid 1 genoemde administratie.

Artikel 30:1:1:3 Spaarloon

Het spaarloon bedraagt maximaal een twaalfde gedeelte van € 613,00 (2009) ; dit maximum wordt jaarlijks aangepast aan het (geïndexeerde) maximum voor vrijgesteld spaarloon, zoals vermeld in artikel 11, eerste lid, letter h sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Voor deelname aan de spaarloonregeling geldt een minimum spaarloon van € 11,34 per maand.

Het spaarloon wordt door de werkgever in de maand van inhouding overgemaakt naar:

-

de verzekeraar, als het premie betreft voor een levensverzekering, een en ander zoals omschreven in artikel 30:1:1:4, dan wel.

-

de spaarinstelling, als het een storting betreft op een spaarloonrekening van de deelnemer, een en ander zoals omschreven in artikel 30:1:1:5.

Bij aanmelding van de maximum-inhouding wordt een als gevolg van indexering doorgevoerde verhoging van het wettelijk vastgestelde maximale spaarbedrag zo spoedig mogelijk en zonodig met terugwerkende kracht door de werkgever verwerkt.

Artikel 30:1:1:4 Verzekering

De in dit hoofdstuk bedoelde verzekeringen moeten:

a

zijn aangegaan met de verzekeraar;

b

gesloten zijn door de deelnemer, de echtgenoot of de partner;

c

gesloten zijn op het leven van de deelnemer, de echtgenoot of partner, hetzij op het leven van kinderen

-

waarvoor de deelnemer op 1 januari van het jaar, waarin de premie is voldaan, ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet recht op kinderbijslag heeft, dan wel

-

die, als kinderen van de deelnemer, ingevolge de Wet op de studiefinanciering op genoemde datum recht op een studietoelage hebben;

d

ten minste voorzien in:

-

hetzij een kapitaal, uit te keren bij in leven zijn van de verzekerde vier of meer jaren na de ingangsdatum van de verzekering; het kapitaal bij leven mag niet kleiner zijn dan een eventueel meeverzekerde uitkering bij overlijden;

-

hetzij een (lijfrentekapitaal als rekengrootheid voorheen) lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder g, 1°, 3° of 4° en vierde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op het leven van de verzekerde, welke lijfrente niet eerder kan ingaan dan in het vijfde jaar, nadat de premies zijn voldaan; dit lijfrentekapitaal of deze lijfrente mag niet kleiner zijn dan een lijfrentekapitaal of lijfrente voor een eventueel meeverzekerde nabestaandenvoorziening.

De verzekeringen moeten deel uitmaken van het vermogen van de deelnemer of zijn echtgenoot of de partner.

Artikel 30:1:1:5 Spaarloonrekening

Het tegoed op de spaarloonrekening mag uitsluitend bestaan uit:

a

spaarloon;

b

de over het tegoed opgebouwde rente.

De werknemer kan over het tegoed beschikken met inachtneming van het in de artikelen 30:1:1:6 en 30:1:1:7 gestelde.

De werkgever zal niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor eventuele consequenties, die uit het beheer van spaarloon -door de spaarinstelling gevoerd- zouden kunnen voortvloeien.

Het is de deelnemer niet geoorloofd de op zijn spaarrekening uitstaande bedragen geheel of gedeeltelijk over te dragen, te verpanden, dan wel op enigerlei andere wijze te bezwaren.

Artikel 30:1:1:6 Opname

Een deelnemer dan wel de erfgenamen mag/mogen vrij beschikken:

a

over het bedrag op de spaarloonrekening nadat dit sedert de storting 4 jaar ononderbroken op de rekening heeft gestaan;

b

over een evenredig deel van het bedrag op de spaarloonrekening voor iedere volle maand van 4 jaar die sedert de storting reeds is verstreken bij het einde van de dienstbetrekking tussen de werkgever en de deelnemer, waaronder ook begrepen het overlijden van de werknemer;

c

over een bedrag op de spaarloonrekening indien de opgenomen gelden worden besteed ten behoeve van één of meer van de bestedingsdoeleinden genoemd in artikel 30:1:1:7.

In de gevallen waarin door de deelnemer of zijn erfgenamen op grond van het in lid 1 sub b en c van dit artikel bepaalde over het spaarloon wordt beschikt, dient ten genoege van de spaarinstelling bewijs te worden geleverd van de van belang zijnde feiten.

De deelnemer heeft, met inachtneming van de op dit punt bij de instelling gebruikelijke voorwaarden, de vrije beschikking over de opgebouwde rente over zijn spaarloon.

Buiten de in lid 1 genoemde gevallen kan over het spaarloon slechts worden beschikt ten behoeve van verhaalsuitoefening door derden, faillissement dan wel wettelijke schuldsanering, in welk geval het spaarloon zal worden aangemerkt als loon. Het spaarloon zal door de spaarinstelling worden overgemaakt aan de werkgever die onder inhouding van de verschuldigde loonheffing zal zorgdragen voor uitbetaling aan de deelnemer.

Indien een bedrag van de spaarloonrekening wordt opgenomen geschiedt dit ten laste van het spaarbedrag dat het laatste is bij geschreven; is dit niet toereikend, dan van het voorlaatste en zo vervolgens.

Artikel 30:1:1:7 Deblokkering

De doeleinden zoals bedoeld in artikel 30:1:1:6 lid 1 sub c zijn:

-

verwerving van een eigen woning als hoofdverblijf door de deelnemer of zijn echtgenoot of partner; onder verwerving van een eigen woning wordt mede verstaan de verkrijging van het lidmaatschap van een coöperatie waarvan de leden enkel op grond van hun lidmaatschap het recht van uitsluitend gebruik hebben van een aan de coöperatie in eigendom toebehorend gebouw, dan wel van een afzonderlijk gedeelte van een zodanig gebouw;

-

betaling van premies, verschuldigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering of pensioenregeling, mits is voldaan aan het bepaalde in artikel 30:1:1:4, lid 1 sub b, c en d en lid 2;

-

verwerving van effecten zoals bedoeld in artikel 16, lid 1 juncto artikel 6 en 7 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen;

-

start van een eigen onderneming;

-

financiering van (gedeeltelijk) onbetaald verlof;

-

financiering van een door de werknemer zelf te volgen studie of opleiding met het oog op het verwerven van inkomen uit werk;

-

financiering van kosten van kinderopvang. Het te deblokkeren bedrag bedraagt maximaal eenzesde van de aan de werknemer of zijn partner in rekening gebrachte kosten van kinderopvang als bedoeld in artikel 16c, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964;

-

storting op een spaarrekening of beleggingsrekening eigen woning;

-

storting op een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrekening;

-

kosten procedure Erkenning verworven competenties.

Deblokkering ten behoeve van de in lid 1 genoemde doeleinden is slechts mogelijk voorzover dit wettelijk is toegestaan.

Indien de (fiscale) deblokkeringsmogelijkheden wijzigen, worden deze wijzigingen geacht te zijn opgenomen onder de in lid 1 opgenomen doeleinden.

Artikel 30:1:1:8 Gegevensverstrekking

Door toetreding tot de spaarregeling of verzekering wordt de deelnemer geacht ermee in te stemmen dat aan de werkgever vertrouwelijke gegevens over zijn spaarrekening of verzekering worden verstrekt, voor zover deze nodig zijn ter vergelijking met de administratie, welke de werkgever op grond van de wettelijke bepalingen voert. De werkgever is ten aanzien van deze gegevens ten opzichte van derden tot geheimhouding verplicht.

Artikel 30:1:1:9 Fiscaal kader

Dit hoofdstuk moet worden toegepast met inachtneming van hetgeen is geregeld in artikel 11 van de Wet op de loonbelasting en artikel 16 Wet financiering sociale verzekeringen.

31 Kinderopvangregeling UWO-II

Artikel 31:1:1:1 Hardheidsbepaling

Indien de fiscale kinderopvangtoeslag in een geval niet of niet in redelijkheid voorziet, is het college bevoegd een regeling te treffen.

32 Sociaal statuut 1999 UWO-II

Artikel 32:1:1:1 Reorganisatie

Burgemeester en wethouders kunnen het werkproces in het belang der dienst op andere wijze organiseren. Indien het gaat om een belangrijke wijziging in de organisatie, vragen zij tevoren advies aan de OR.

Artikel 32:1:1:1 (Toelichting)

Hier wordt bedoeld het advies op basis van artikel 25 WOR. De betrokkenheid bij reorganisaties komt thans dus primair bij de OR te liggen in plaats van bij het GO. Dit sluit aan bij de gekozen taakverdeling tussen OR en GO. In de praktijk zal sprake zijn van een belangrijke reorganisatie wanneer er meer dan 5 personen bij betrokken zijn.

Artikel 32:1:1:2 Verkrijgen status van herplaatsingskandidaat

Herplaatsingskandidaten zijn zij van wie is vastgesteld dat:

-

de functie is komen te vervallen door reorganisatie, of

-

men op grond van sociaal/medische indicatie niet meer geschikt is voor de huidige functie, of

-

overplaatsing in het belang der dienst geïndiceerd is.

Het besluit om iemand aan te merken als herplaatsingskandidaat wordt door burgemeester en wethouders aan betrokkene medegedeeld onder vermelding dat dit sociaal statuut van toepassing is.

Artikel 32:1:1:3 Ontslagvolgorde

Bij vermindering van het aantal functies als gevolg van verandering in de inrichting van een of meer dienstonderdelen of wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten, tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet, de toekenning van de status van herplaatsingskandidaat en een eventueel als gevolg van reorganisatie gegeven ontslag als volgt bepaald:

a

zij die dit wensen, tenzij het belang van de dienst zich hiertegen verzet, en vervolgens,

b

indien binnen een functiecategorie (in combinatie met het werkveld van de Staf, Eenheid of Cluster/Team - aandachtsgebied - functieniveau) 3 of meer medewerkers zijn betrokken volgens het afspiegelingsprincipe waarbij de volgende leeftijdscategorieën worden gehanteerd: tot 35 jaar, 35 tot 45 jaar, 45 tot 55 jaar, 55 tot 65 jaar.

c

zijn er binnen de functiecategorie zoals vastgesteld onder b. minder dan 3 medewerkers betrokken, dan volgens het principe last in, first out.

Artikel 32:1:1:3 (Toelichting)

UWV heeft beleidsregels opgesteld die handvatten geven bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel. Deze beleidsregels zijn opgenomen als hoofdstuk 10 van de Beleidsregels Ontslagtaak UWV en zijn te vinden op:https://www.werk.nl/pucs/groups/public/documents/document/ptl137467.pdf. Er wordt een beschrijving van het afspiegelingsbeginsel gegeven met stappenplan en rekenvoorbeelden. Zo geven de UWV-beleidsregels oplossingen voor situaties waarin het afspiegelingsbeginsel leidt tot kommagetallen.

Artikel 32:1:1:4 Toelagen en vergoedingen

Toelagen en onkostenvergoedingen waarop men in de vroegere functie aanspraak kon maken vervallen of worden afgebouwd overeenkomstig de geldende afbouwregeling als genoemd in de UWO-II vanaf het moment waarop men herplaatsingskandidaat is geworden.

Artikel 32:1:1:4 (Toelichting)

Het sociaal statuut is primair geschreven voor personen die herplaatsingskandidaat worden wegens reorganisatie. Er kunnen ook andere redenen zijn om herplaatsingskandidaat te worden, bijvoorbeeld sociaal/medische, maar ook het belang der dienst. Dat laatste moet overigens geobjectiveerd duidelijk zijn en zo nodig een rechterlijke toets kunnen doorstaan. Alle redenen die kunnen leiden tot de status van herplaatsingskandidaat worden thans in het sociaal statuut betrokken omdat de benodigde reïntegratiemethodiek dezelfde is. Had men in de vorige functie onkostenvergoedingen terwijl die onkosten thans niet meer worden gemaakt, dan worden de vergoedingen direct stopgezet. Hetzelfde geldt voor toelagen, zij het dat hiervoor de afbouwregeling geldt als opgenomen in de UWO-II. Een uitzondering hierop vormt de zgn. uitlooptoelage. Artikel 3:1:3:3 UWO-II regelt dat de aanspraak hierop blijft bestaan in geval van reorganisatie. De ambtenaar die wordt overgeplaatst binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt het salaris en salarisperspectief, verbonden aan de oude functie. Bij arbeidsongeschiktheid voor de functie is de normale regelgeving van de CAR/UWO en UWO-II van toepassing..

Artikel 32:1:1:5 Aanvaarding andere functie binnen de organisatie

Burgemeester en wethouders onderzoeken eerst of zij herplaatsingskandidaten binnen de gemeentelijke organisatie in een passende of geschikte functie als bedoeld in artikel 32:1:1:8 kunnen herplaatsen.

Artikel 32:1:1:6 Rechten en plichten herplaatsingskandidaat

Herplaatsingskandidaten hebben de volgende rechten en plichten:

Rechten:

a

het recht op voortzetting van het dienstverband gedurende 2 jaar na de mededeling als bedoeld onder artikel 32:1:1:2; deze termijn wordt niet verlengd door tussentijdse ziekte; indien herplaatsing niet mogelijk blijkt kunnen burgemeester en wethouders de termijn van 2 jaar bekorten;

b

het recht op actieve arbeidsbemiddeling en/of omscholing en/of overige begeleiding naar een andere functie binnen of buiten de organisatie, een en ander in ieder geval gedurende de periode genoemd onder a;

c

opbouw van vakantieverlof gedurende nog 6 maanden indien in die periode feitelijk geen werkzaamheden meer voor de gemeente worden verricht.

Verplichtingen:

d

het accepteren van aangeboden passende arbeid;

e

het zelf actief elders solliciteren en het achterwege laten van dusdanige onredelijke eisen of het tentoonspreiden van een dusdanige houding dat een sollicitatie mislukt;

f

het maandelijks verstrekken van een overzicht van ontplooide activiteiten;

g

het als werkzoekende ingeschreven staan bij door burgemeester en wethouders aan te wijzen arbeidsbemiddelinginstanties, waaronder het UWV WERKbedrijf (v.h. CWI);

h

het meewerken aan een onderzoek door een geneeskundige, psycholoog of beroepskeuze-adviseur, gericht op de mogelijkheden tot herintreden in het arbeidsproces;

i

het deelnemen aan scholing en opleiding en het actief meewerken aan een gunstig resultaat;

j

het actief meewerken aan detachering elders.

Artikel 32:1:1:7 Vervallen

Vervallen

Artikel 32:1:1:8 Passende en geschikte vervangende arbeid binnen gemeente

a

Een functie binnen de gemeentelijke organisatie is passend indien: een goede functievervulling redelijkerwijs van betrokkene mag worden verwacht, een en ander gerelateerd aan zijn opleiding, ervaring en vooruitzichten;

b

Een functie binnen de gemeentelijke organisatie is geschikt indien betrokkene die vrijwillig aanvaardt.

Artikel 32:1:1:9 Passende en geschikte vervangende arbeid buiten gemeente

a

Een functie buiten de gemeentelijke organisatie is passend indien:

-

een goede functievervulling redelijkerwijs van betrokkene mag worden verwacht, een en ander gerelateerd aan zijn opleiding, ervaring en vooruitzichten, en

-

op de organisatie een geregistreerde rechtspositieregeling van toepassing is of een CAO die is afgesloten door de ABVAKABO/FNV of de CFO/CNV, en

-

de pensioenvoorziening is ondergebracht bij een bedrijfs- of bedrijfstakpensioenfonds, en

-

het salarisverschil tussen de functie bij de gemeente en de nieuwe organisatie blijft binnen de breedte als omschreven onder b.

b">

    Disclamer: De informatie op deze pagina wordt geleverd door het open data project van de Nederlandse overheid. Het doel van dit project is om zoveel mogelijk publieke informatie te ontsluiten. Drimble is afhankelijk voor de correctheid van deze informatie van derde partijen. De informatie op deze pagina kan daarom gedateerd of inmiddels ongeldig zijn. Raadpleeg daarom altijd de lokale overheidsinstantie bij toepassing van de gegevens.